Begin

Ik was tien toen Benjamin mijn naaktportret tekende, negen toen we elkaar leerden kennen. Volgens de journalisten die hem spraken, ben ik twaalf, mijn vader zal volhouden dat ik dertien was. Waarom die mannen zo vasthouden aan mijn leeftijd, weet ik niet. Alsof een jaar meer of minder de feiten geloofwaardiger maakt, de blikken op mijn lichaam rechtvaardigden. De waarheid is dat ik een kind was toen hij me voor het eerst zag.

Het was een uitzonderlijk koude namiddag in november, toen ik via de grote schuifdeur, die wagenwijd openstond,  binnendrong in zijn atelier. Mijn moeder had me, zoals zo vaak, meegesleurd naar de Vandereeckenstraat,  waar in die tijd, volgens haar alle ‘belangrijke mensen’ rondhingen: Kunstenaars, schrijvers, filosofen, dat soort allooi. Hoewel de hele scène oplichtte door haar caféavonden, exposities, soirées en lezingen, waren de grootste sterren diegenen die de rest in duisternis lieten. Benjamin, in die tijd nog een nieuwkomer, behoorde toen waarschijnlijk al tot dat exclusieve, efemere clubje. Zij, ‘de ontdekten’, waren de ware hoofdpersonages van de wijk. De rest van de artistieke cafégangers maakte er een sport van zoveel mogelijk te weten over de ontdekte genieën, om onderling te discussiëren wie diepzinniger kon vertellen dan de ander, wie het dichtste bij dat enigmatisch talent was gekomen, wie het beste of het slechtste begreep waarom juist díe persoon, en geen ander. Als kind, slurpend van mijn cola, kwamen die gesprekken me altijd ontzettend belangrijk en onbegrijpelijk voor. Nu begrijp ik dat dat inderdaad hun bedoeling moet geweest zijn: Alsof, door je maar dicht genoeg te bevinden bij de zon van zo’n talent, je er zelf ook verlicht door werd. Achteraf gezien, weet ik nu, schiet er weinig over van het genie van de Vandereeckenstraat uit mijn jeugd. Een aantal jaren geleden liep ik een willekeurig terras naast een kunstschool voorbij, en werd verrast door melancholie. Achter het glas van de hippe barretjes, leek ik dezelfde mensen te herkennen die me als kind over het hoofd hadden geaaid. Ze waren geen haar veranderd. Toen besefte ik dat de terrasjes en barkrukken doorheen de jaren een vervelling hadden ondergaan, met nieuw vlees in oude kleren. Een groep mensen, zo wist ik nu, die zich niet zozeer onderscheidde omwille van talent, maar omwille van het feit dat ze er toevallig tijd en geld voor hadden.

Zo ook mijn moeder, die, toen ik negen was, juist vijftig was geworden, en een onverklaarbare nood voelde om zich onder hen[c3] te mengen. Misschien wou ze zichzelf heruitvinden, misschien zocht ze vrienden in haar anders eenzame leven, dat voornamelijk bestond uit het betasten van zieke dieren. Hoe dan ook, omdat ze geen andere vrouw in haar huis verdroeg en zich bij jongens van vijftien slecht op haar gemak voelde, kon ze me niet achterlaten bij de babysit, en moest ik op de dagen zonder hobby’s, noodgedwongen mee op pad. Misschien gaf ik haar zelfvertrouwen. Ik, haar onwillige kompaan, die ze maar al te graag voor haar liet uitlopen als een verkenner, die ze maar al te gemakkelijk naar voren kon schuiven als excuus, als onderwerp, als rekwisiet. Ik vervulde die rol samen met haar sigaretten. Al die moeite nam ze, omdat ze eigenlijk verlegen was, haar eigen stem niet graag hoorde, en het daarenboven moeilijk vond haar aandacht te houden bij het gezelschap. Dit leek het gezelschap in de vaste bar Au Fontainas nooit te storen, ze vonden het vertederend zelfs, hoe de kleine, magere vrouw om de zoveel tijd opveerde om een sigaret te kunnen roken, en ze zenuwachtig aan haar gouden armbanden draaide, zodat die kenmerkend klingelden. Zij lachte met die opmerkingen mee en ging onder protest alsnog naar buiten – niet in de eerste plaats om charmant te zijn, maar omdat ze het niet uithield. Ik bleef zitten en praatte voort alsof ze niet vertrokken was, praatte zelfs meer: Mijn tegenzin haar chaperonne te zijn lag niet in de scènes waar ze me deel van liet uitmaken, ik voelde me thuis tussen al die kleurrijke figuren. Het was dat ik getuige moest zijn van háár, hoe ze hoog lachte met mopjes van mannen met luide stemmen, mee danste op de muziek die soms werd opgezet, rode wangen kreeg van de wijn die ze dronk. Het was allemaal zo overdreven. Maar ons gezelschap wist niet hoe ze na het sluiten van de voordeur haar mond terug in een scheve grijns trok, amper in volzinnen op de vragen van mijn vader antwoordde, of kon uitvliegen wanneer ik een vlek maakte op het tafelkleed. Wanneer ze van haar zitplaats opstond om haar sigaretten te roken, steevast vergezeld door een man of twee, voelde ik me opgelucht. Een aantal van haar vrienden mocht ik echt. Zo was er een lange vrouw die kleine, kromme figuurtjes beeldhouwde uit witte steen. Altijd droeg ze een rode handtas bij zich, waar ze, elke keer ze me zag, een zuurtje uithaalde. ‘Goed voor de keel,’ zei ze dan, terwijl ik het bolletje op mijn tong liet draaien, waarop ze moest lachen met het gezicht dat ik trok. Eén vriend vond ik afgrijselijk. Misschien kwam het door die mengeling van zweet en mannenparfum, of door de manier waarop hij naar me glimlachte, alsof hij iets wist wat ik niet wist. Zo gebeurde het, alsof ze had besloten me te pesten, dat mijn moeder me steeds vaker meenam naar zijn huis, een oud herenhuis dat op het einde van de straat lag. In het begin, toen het nog zomer was, zaten we vaak in de tuin, een door hoge muren afgeschermde rechthoek die volledig overwoekerd was door onkruid en veldbloemen. Terwijl ik limonade zonder prik dronk en mijn tekenspullen naar boven haalde, praatten zij wat verder in de ligstoelen, met elkaar op zachte toon. Soms bleven we maar kort, en stuurde hij ons weg omdat hij moest schrijven. Dat moeten schrijven werd verder nooit geduid, het leek wel een mysterieuze ziekte. Over wat hij dan schreef mocht ik niets vragen – alsof ik met mijn kinderlijke nieuwsgierigheid alleen nog maar meer schade zou aanrichten. Na zo’n mededeling liepen mijn moeder en ik met voorzichtige passen door het smalle gangetje in de woonkamer, die vol wankele torens van papieren en kranten lag. Andere dagen zaten we uren op het terras, terwijl de asbak zich tussen hen vulde, en de zon steeds lager scheen. Die namiddagen gaven me een dubbel gevoel. Ik hield van het zacht wiegen in de wind van het hoge gras en de veldbloemen, en genoot van het urenlange tekenen, met verder niets anders in mijn hoofd dan lijnen en kleuren. Maar [c7] het ongemakkelijk gevoel bleef. Wanneer we ’s avonds naar huis reden, begon ik te frunniken aan mijn kleren die naar sigaretten roken, en kon ik ontzettend bars doen tegen mijn moeder. Thuis sloeg ik met de deuren, sloot ik me op in mijn slaapkamer. Zij liet me doen. Ik haatte haar, en ik haatte mezelf omdat ik niet snapte waarom.

In november regende het bijna elke dag, en was de tuin een drassig veld met mistroostig geknakte planten en kale takken. Een paar keer had Jean nog moeite gedaan om wat stapels papieren te verzetten in de woonkamer, en twee keer zaten we met z’n drieën als stuntelig alternatief aan de kleine, formica keukentafel. Maar al snel werd beslist dat de volwassenen boven zouden gaan praten: Dan kon ik rustig tekenen. Ik werd er kwaad van, liep meerdere keren met luide bonken de gestoffeerde trap op. Steeds werd ik teruggestuurd. ‘Nog even,’ zei mijn moeder dan, terwijl ze voor me stond op de trap, haar bleke voeten, bloot op het vuile tapijt, haar bloes, scheef, verkeerd dichtgeknoopt. Ze keek me aan met een donkere blik, gefronste wenkbrauwen, alsof ik degene was die haar gijzelde, en niet omgekeerd.

Op één van zo’n zaterdagen, het was eind november, was de hemel opmerkelijk lichtblauw, en kwamen voor het eerst wolkjes uit mijn mond. Met de koude lucht in mijn neusgaten en longen, had ik een ongelofelijke zin om te lopen, te schreeuwen, kampjes te bouwen of ik weet niet wat – in elk geval iets te doen met die heldere dag, anders dan er van binnenuit naar te kijken. Van zodra mijn moeder en Jean naar boven verdwenen waren, greep ik mijn kans, deed ik mijn jas, sjaal en handschoenen aan, en liep ik op de tippen van mijn tenen de gang door, tot aan de voordeur. Heel zachtjes draaide ik de deurknop om, zowel bang om geluid te maken, als bang dat de deurknop zou tegenwringen, en ze me werkelijk hadden opgesloten. Maar de ronde, bronzen bol gaf mee, en voor ik me kon bedenken stond ik buiten. 

Huppelend liep ik door de straat die ik zo goed kende, en voelde me op avontuur. Toen ik op het pleintje naast Au Fonteinas wat kiezelsteentjes aan het wegschoppen was, stonden wat vrienden van mijn moeder te roken. Ze herkenden me en riepen mijn naam. Toen ze me vroegen wat ik daar deed, en waar mijn moeder was, antwoordde ik dat ze met de curator was gaan praten – het was een naam die ik al vaak had horen vallen, het klonk geloofwaardig. Ik kreeg een warme chocomelk en ging met hen naar binnen. Wat voelde ik me volwassen, aangesproken en uitgenodigd onder mijn eigen naam, alleen op café met mijn dampende drank, zelf veroverd. Hoewel ik van het gesprek tussen de twee mannen weinig begreep, knikte ik mee met alles dat gezegd werd. Het ging erover dat een nieuwe bewoner zich een maand geleden had gevestigd in de wijk, maar zich tot dan toe had afgezonderd. ‘Een jonge kerel,’ zei de ene – ‘dikke nek,’ zei de andere, waarop vervolgens een discussie begon over iets met de wereld en moderne kunst. ‘Kort van stof, blijkbaar. Hij is uitgevlogen tegen Sofia, toen ze hem wou uitnodigen voor een groepstentoonstelling. Hij spreekt met niemand.’ Plots draaide één van hen zich naar me om, en vroeg wat mijn plannen voor de dag waren. Ik zei, op dezelfde gewichtige toon die ik hen had horen aanslaan, dat ik op ontdekkingstocht was. De mannen wisselden een blik. Dan had ik vast gehoord over de mysterieuze hangar een paar huizen verder. Nee? Dat witte gebouw, helemaal achteraan de parking? Eén van hen ging zelfs zover dat hij het me toonde: eerst ga je links, en dan weer rechts. Vrolijk wuifde hij me uit, ik wuifde terug. Het kwam niet bij me op dat volwassenen ook grapjes konden uithalen met kinderen – maar van deze grap had niemand kunnen vermoeden wat voor afloop die zou kennen.

Dit is een stukje dat nooit in het definitieve verhaal zal komen. Omdat zij niet aan het woord komt.

(2020)

Kortverhaal: Een uit de hand gelopen spel

‘Dit spel heeft als doel jullie bewust te maken van de keuzes die jullie gemaakt hebben.’

De Vijftiger kijkt de tafel rond. Een enkeling die net niet oplette, fluistert nog een halve zin tegen een ander. Een houten kruk kraakt. Vanavond zijn het alleen maar grote namen, iedereen aan deze tafel heeft zichzelf al overtroffen – op papier. Op papier waren ze interessant, en dus zijn ze uitgenodigd, om vanavond ook interessant te zijn. Iemand kucht.

De Vijftiger zegt: ‘jullie hebben allemaal een pseudoniem gekozen. Leg je keuze uit aan de groep.’

Eén voor één hernoemen ze zichzelf. Lolita wordt Vladimir. Dorian in de hoek wordt Oscar. Woutertje kiest voor ‘Max’. Iemand denkt: Ik ken jullie al, wat doet een ander woord ertoe? Zij gebruikt als pseudoniem haar eigen naam.

‘Je neemt het te serieus,’ zegt een doorgaans opgewonden vriend. ‘Het is maar een spel.’ Hij kiest voor ‘Friedrich’ en doet nog een suikertje in zijn koffie.

Even dreigen de gemoederen te verhitten wanneer Manfred op het idee komt zichzelf ‘Lord Byron’ te ridderen. ‘Het is toch maar fictie!’ sputtert hij tegen.

– ‘Zo gemakkelijk was het om te wisselen van naam,’ onderbreekt de Vijftiger, en hij knipt met zijn bevlekte inktvingers. ‘Zijn al jullie boeken vóór dit moment nu wees? Of bevrijd, door de dood van hun auteur?’

‘Zijn het nog steeds onze verhalen?’

– ‘Heel juist, Roland. Zijn het nog jullie verhalen?’

‘Ja natuurlijk, wij hebben ze geschreven,’ zegt Arnon.

‘Zegt de vrouw die al drie keer verwisseld is van naam!’ De tafel begint te rumoeren.

‘Zolang de waarheid maar verteld wordt, maakt het mij niet uit welke naam onder mijn schrijfsels staat,’ zegt Anne.

‘Dan zet ik mijn naam eronder,’ zegt Adolf.

De avond wordt een bloedbad – ook de Vijftiger sterft.

(2020)

Kortverhaal: Slippers

‘Badmeester, badmeester!’

 Klotsend water en schreeuwende kinderen galmen door de grote zaal. De vrouw in blauwe speedy komt met lange, magere benen van aan de andere kant van het zwembad op hem afgelopen. Hij fluit twee keer en draait met zijn wijsvinger als de wijzer van een klok die blijft steken, wijst naar het bordje ‘SLIPGEVAAR’. Met pletsend kwade, platte voeten, vertraagt ze haar pas. Voor ze weer kan beginnen roepen, draait hij zich om en loopt de trappen op richting het draaibad. Hij loopt het plastieken bord voorbij: ‘NIET BETREDEN – ONDER CONSTRUCTIE’, bukt zich onder het rood met witte lint en verstopt zich achter een plastieken varen. Veegt de druppels van zijn waterdichte uurwerk. 17:11 – Hij ademt de zware chloorlucht in. God, help mij om dit uur door te komen. Kon hij maar een sigaret roken op het koertje naast de container. Maar de andere jobstudent is er vandaag niet en zijn moeder kan elk moment opduiken – de waterpolospeelsters liepen daarnet al richting de douches. Waarschijnlijk had ze hen vroeger doen stoppen. Het ronde draaibad, met gelige, witte muren, gestript van de dikke stroom kolkend water, ziet eruit als een gapende mond zonder tanden. Hij kijkt terug op zijn uurwerk. 17:12 – Drie kwartier, vijftig minuten max. Afgrijselijke oneindigheid. Zijn gedachten vermengen zich bonkend met de holle echo’s in het zwembad. Zijn wangen gloeien.

’s Ochtends had het een goede afleiding geleken. Niet in bed te hoeven liggen, of, het alternatief: halfslachtig met een zware kop te moeten opstaan, zonder plannen met alleen het vooruitzicht van een lege dag. Niet te moeten wachten op… ja, op wat? Hoe zou het gebeuren? Zouden ze hem bellen? Misschien zou hij een mail krijgen, droog, afstandelijk. ‘schorsing’. De volledige procedure stond online, ‘Plagiaat KULeuven’, van detectie tot sancties – behalve dan die eerste stap, dat eerste bericht. Dat deel, het ergste deel, lieten ze aan de verbeelding over. De misselijkheid draaide als een weeïge pap in zijn maag. Snel had hij de pagina’s terug weggeklikt.

Met de punt van zijn teenslipper wrijft hij over een half losgekomen tegeltje. De zachte moussen zool van zijn slipper dempt de kracht waarmee hij erop duwt: het glanzend stukje keramiek verschuift een beetje, maar komt niet los. Wat had hij gedaan?

Nee. Hij kon niet doen alsof het in een opwelling was gebeurd. Het had hem zelfs drie dagen gekost, met eergisteren voor de deadline nog zeker acht uur nachtwerk: de stukken lezen, knippen en plakken – een paar woorden hier en daar verplaatsen, lettertypes aanpassen. Een half uur knoeien met de inhoudstafel en het voorblad. Om vier uur ’s nachts had zijn thesis eindelijk vorm gekregen en had hij zichzelf tien minuten rookpauze gegund. Met de grijze kap over zijn hoofd getrokken en zijn rug tegen de koude, bakstenen muur gedrukt, had hij zich plots heldhaftig gevoeld. De nacht straalde ijselijk donkerblauw en was doorspikkeld met lichtgevende puntjes. Hij, hacker met een deadline, deels crimineel, deels ambachtsman. Terwijl hij de rook diep in zijn longen ademde, was het paniekerige gevoel dat hem de voorbije maanden had achtervolgd verdwenen. Eindelijk verlost van dat zeurend gevoel van gejaagdheid – dat hem zo lang van zijn eigen kot had verdreven, ongemakkelijk aangestaard door de stapel boeken literatuur op zijn bureau. Hij was de uitleendata blijven verlengen, had dan de boetes laten opstapelen. Een week geleden was het idee plots gekomen als een goddelijke inval: waarom alles heruitvinden? Online thesissen en artikels op slecht gemaakte sites werden zijn voornaamste bronnen. Met elke dag had zijn toekomst er hoopvoller uitgezien. Het zou goed komen. Toen de drukker hem de drie exemplaren overhandigde, had hij opwinding gevoeld, trots gemengd met spanning. Bij het inleveren plakte het bezwete T-shirt onder zijn dikke trui, koud tegen zijn rug.

Een stekende pijn schiet door zijn grote teen. Het tegelstukje, onder druk van zijn slipper, is in twee gebroken, en heeft zijn blote teen geschaafd. Het bloed loopt in een klein straaltje uit de streepjes open huid, over de blauwe zool op de witte tegels, en vermengt zich met het water op de grond. Het chloor pikt in de wonde.

Twee dagen geleden was hij slaapdronken naar beneden gewandeld, toen zijn moeder hem had opgewacht aan de tafel vol ontbijt. Ze had in zijn hand geknepen, toespelingen gemaakt op het feit dat haar enige zoon nu afgestudeerd zou zijn. Het regende buiten. De toast met fruitsap had zuur in zijn keel geprikt.

Achter het EHBO lokaal staat de microfoon die verbonden is met de speakers van het zwembad.

17:27.

17:28.

17:29. Hij klikt de schakelaar om.

‘Dames en heren, het zwembad gaat over een half uur sluiten. Gelieve uw bezittingen te verzamelen en naar de uitgang te gaan.’

Een jonge man met brede schouders en blonde krullen trekt zich op aan het zwembad trappetje. Terwijl hij de lijnen van zijn natte rug volgt, gaan zijn gedachten plots terug naar Ennio. Ennio – de reden om zich aan te kleden in de ochtend, elke dag terug naar de bib te komen en te staren naar een leeg scherm. Een warme stroom van energie trekt door zijn lichaam – zijn schouders ontspannen, als geraakt door de zon, plots lijkt niets nog echt belangrijk. Alles voor dat ene moment aan de uitgang van de bib om kwart na tien. Hij, rillend van de kou. Ennio, die naar hem lacht. Plots dichter komt staan, zijn kin naar zich toetrekt. Een open mond, twee zachte lippen en een gulzige tong. De badstof van zijn zwembroek drukt strakker tegen zijn huid.

Zijn moeder zwaait van aan de douches. Met de zelfzekere pas van een zwemcoach op gladde grond stapt ze zijn richting uit. Snel houdt hij zijn handen voor zijn kruis. Hij fixeert zijn blik op de laatste persoon in het zwembad. Het is een klein meisje, donkerbruin haar, lichte ogen. Langzaam voelt hij hoe zijn erectie terug zacht wordt. 

(2020)

Kortverhaal: August

Haar vingers volgen met voorzichtige bewegingen het spoor van de barst. Het litteken, donkerroze en gezwollen, loopt dwars over de linkerzijde van zijn gezicht, van zijn oog tot onderaan zijn kaak. Haar hand voelt koud tegen zijn huid. Met gesloten ogen ondergaat hij haar aanraking. Zijn litteken, het romantisch bewijs van zijn kwetsbaarheid. Een haakje om haar liefde aan op te hangen. Een lelijkheid die zij hem mag vergeven. Macht, in de vorm van een streling. Hij glimlacht onwillekeurig. Wanneer ze zijn glimlach opmerkt, lacht ze naïef met hem mee: ‘Waarom lach je nu?’

Hoeveel vrouwen voor haar hebben hetzelfde gedacht? Hoeveel meisjes voor haar hebben zijn wang met dezelfde perverse tederheid gestreeld?

Op dit moment zijn dat er drie. Maar hij is nog jong, en vergeeft zichzelf de lichte hyperbool. Nostalgie bestaat op vierentwintig voornamelijk uit de verbeelding van een verleden dat zich nog moet laten leven. Hij kijkt naar haar met een blik die moet doorboren. Bedenkt zich ondertussen dat hij die zin over perverse tederheid beter kan opschrijven, voor hij die vergeet. Wrikt zich uit haar verrassend stevige omhelzing.

‘Wat zoek je?’ vraagt ze.

Hij pakt zijn rugzak, vindt zijn pen en schrift. Kruipt terug in bed. Probeert iets te schrijven dat hij later niet hoeft te schrappen. Ze ademt in zijn oor.

‘Waarom kuste je me gisteren?’

Hij legt zijn pen neer. Zucht innerlijk. Schrijven zal niet meer lukken.

‘Heb jij veel zelfmedelijden, August?’

-‘Wat?’

Ze wuift met haar hand. ‘Antwoord er maar niet op. Ik neem voorlopig aan van wel. Die vreemde blik van je maakt me bang. Maar over het algemeen zie ik dit nog wel eens zitten.’ Dan knipoogt ze: ‘Zolang je me maar niet probeert te doorgronden.’

August zet zich rechtop in bed. Is het irritatie? Nee. Het is sentiment.

-‘Waarom zou ik jou willen doorgronden?’

Ze lacht, loopt naakt uit het bed, en roept hem op weg naar de keuken toe: ‘Was dat niet de mop? Wie wil een ander doorgronden? Jij? Mij? Met je pen en je schrift? Schrijvers! Wil je koffie?’

August wrijft door zijn haar. Fronst. Ja, koffie.

Drie uur later liggen ze naakt in bed.

‘Wat is je naam?’ vraagt hij.

Van onder het deken zegt ze: ‘Ik wil mezelf niet herleiden tot één woord.’

Hij trekt de dekens van haar lichaam. Ze ligt op haar rug, glimlacht. Haar haar ligt in de war. ‘Sinds vandaag experimenteer ik met een andere naam.’ Ze is op hem gaan zitten. ‘Wat denk je van June? Dat past bij August, nee? Maar voor morgen weet ik het nog niet.’

Natuurlijk. Een simpel antwoord is voor haar te moeilijk.

‘Een beetje kinderachtig, niet?’

-‘Jouw mening is niet gevraagd, August.’ Ze haalt haar schouders op en glimlacht.

Wat later klapt de zware deur van haar kot achter hem dicht. Voor een moment staat hij doelloos op de stoep. Hij heeft geen flauw idee waar hij is. De warme kasseien van juli branden door de dunne zolen van zijn espadrilles. Hij zal misschien verliefd worden, al weet hij niet op wie.

Maar niemand weet op wie.                         

(2018)                          

Kortverhaal: Madame Cézanne

‘Is dat een Cézanne?’

Michel draait zich verstoord om in de wirwar van witte, beslapen lakens. Wanneer hij slechts een vage vlek in de deuropening ziet, zoekt hij naar zijn bril. Maar de vaste plek, onder de linkerkant van het bed, is leeg.

‘Op het nachtkastje! Hij lag op de grond.’

Geïrriteerd tast hij het nachtkastje af. Zijn bril, aangeraakt en verlegd door haar handen, voelt al bijna niet meer als de zijne. Door zijn ontvreemde bril, koud op zijn neus, tuurt hij naar de deuropening, waar ze staat met het schilderij in haar handen. Het is, inderdaad en verontrustend, Madame Cézanne. Niet te geloven. Natuurlijk had ze die eruit gepikt. Had hij het schilderij maar niet zo slordig naast de strijkplank gezet. Zeventwintig jaar en twee maanden had het tegenover hun bed gehangen. Zevenentwintig jaar lang had hij daar niets op tegen gehad. ‘Andere vrouwen willen een ring, ik wil een Cézanne!’ had Marie ooit gezegd, alsof ze ooit maar een moment overwogen had te trouwen. Ze hadden erom gelachen. Maar de laatste twee maanden, zo alleen in bed, had de starende blik van de schildersvrouw, strak in het rood, hem steeds meer gestoord.

‘Zet die onmiddellijk terug!’ snauwt hij haar toe.

Haar glimlachende mond plooit zich in een treurige streep. Als een geslagen hondje trippelt ze in niets meer dan een fijn, wit onderbroekje terug naar de andere kamer.

Hij zucht. ‘Monique, zo bedoelde ik het niet. Kom je terug?’

Alsof er niets is gebeurd, komt ze vrolijk de kamer binnen en springt terug bij hem in bed.

Wat een kabaal toch, die jeugd van tegenwoordig, denkt hij wanneer ze zich energiek in zijn armen nestelt. Eén van haar hoekige armen port onbedoeld in zijn zij.

Het nichtje van Jean is sinds twee dagen aangekomen in Parijs. Ze begint aan een opleiding filosofie. Of ze een paar dagen bij hem kon overnachten, terwijl ze op zoek was naar een studentenresidentie? ‘En ondertussen kunnen jullie toch gezellig praten over Sartre, nee? Het is win-win voor iedereen!’

Hij kende Jean al jaren en had de zenuwachtigheid gehoord in zijn stem aan de telefoon.

Sinds de ouders van het meisje vorig jaar begonnen waren aan een vechtscheiding, even passioneel als hun voormalige relatie, was Jean zo’n beetje aangewezen als haar informele voogd. Die taak leek zijn vriend meer met angst te vervullen dan met plaatsvervangende vaderliefde. Hij had in een bui van nihilisme toegestemd – het was tien uur ’s avonds en de kat sliep, zoals steeds vaker de laatste tijd, bij de buren.

En nu ligt ze hier. Monique. Naakt in zijn armen. Op geen enkele manier gemotiveerd om een verblijfplaats te zoeken, of zelfs maar een stap uit de deur te zetten. De halfvolle verhuisdozen rond het bed geven hem een moedeloos gevoel. Over drie weken vertrekt hij. De nieuwe functie aan de universiteit van Santillana del Mar ziet er met elke ingepakte doos steeds minder aantrekkelijk uit. Maar de keuze is nu eenmaal gemaakt. Marie is weg. Zonder haar heeft het toch geen zin. Zijn blik blijft nog even rusten op een stapel kleren, halfslachtig in een verhuisdoos gepropt.

Een borrelend geluid doorbreekt de stilte van het appartement. Monique houdt als betrapt haar handen voor haar buik: ‘Mijn buik rommelt soms,’ zegt ze met rode wangen.

Hij kijkt naar haar. Met dat korte, zwarte haar en die slungelige, magere ledematen. Dat kleine gezichtje met die grote, donkere ogen. En overal blauwe plekken.

Ze is ook zo onhandig, te hoekig en te hevig. Hij begrijpt dat ze geen vadergevoelens oproept in Jean. Ze lijkt wel een versleten lappenpop. Misschien wat te houterig, wat te scherp, maar ook weerbarstig aandoenlijk. Kwetsbaar, maar misschien ook onsterfelijk. Iets om in het rond te smijten, iets om door plassen met modder te halen – en dan te knuffelen. Gisteravond was ze net zo binnengekomen: met veel lawaai, twee grote koffers, één schoen zonder hak: ‘de drempels hier zijn hoog!’. Dat had ze hem als begroeting gezegd, waarna ze hem twee kussen had gegeven, op elke wang één, voor hij zich kon terugtrekken. Een even vervelende gewoonte van de Parijzenaars, in de lijn met hun gevoel voor melodrama, om elkaar en vreemden in een geforceerde intimiteit te dwingen bij elke ontmoeting en elk afscheid. Marie had er nooit aan meegedaan. Als ze hem kuste, dan was dat haar weloverwogen beslissing geweest, geen inleiding, geen uitgeleide, maar een act op zichzelf – recht op de mond en vol overgave. In het begin had ook dat hem overdonderd. Zij, altijd zo kordaat, zo energiek, zo scherp. Zonder een greintje zelfmedelijden. Haar recensenten hadden haar vaak ‘streng’ of ‘radicaal’ genoemd, haar bekritiseerd om haar extreme standpunten. Maar ze was niet streng geweest, en al zeker niet radicaal. Die andere kant hadden maar weinig mensen te zien gekregen. Zij, als negentienjarig kind, drie jaar jonger dan hij, met haar vlammende kritieken op teksten die hij zelfs nooit in vraag had gesteld. Zij, met stevige pas en fladderende witlinnen broek voor hem, op die vakantie in Rome. Zij, om drie uur ’s nachts in Café de Flore, gebogen over zijn berg van kladjes, met haar heldere blik, die zegt dat ze weet hoe belangrijk dit voor hem is: ‘Op pagina 73 heb je iets.’ Een glimlach kruipt over zijn gezicht. Haar opgetrokken wenkbrauw, half spottend, half triomfantelijk. Zijn uitzinnige blijdschap, zijn euforie. Niet alleen omdat hij wist dat zij de enige lezer was die ertoe deed, die ook maar enige jota verstand had van zijn project, hun project. Maar omdat het allemaal voor haar was geweest. Zijn glimlach zakt weg. De kamer, karkas van hun leven, komt hem plots ontzettend benauwend voor. Monique bijt op het puntje van een stylo terwijl ze een sudoku invult. Waar ze die vandaan heeft gehaald is opnieuw een mysterie. Net zoals ze hem gisteren zo ver had gekregen om na twee flessen wijn de avond verder te zetten in bed. Of was hij het geweest? Tegenwoordig kon hij erg aanhankelijk worden als hij dronken was. Hij had nooit gesnapt waarom vrouwen dat aantrekkelijk vonden. Hem überhaupt, met zijn korte benen en zijn dwaaloog. Of had hij haar onder de indruk gebracht met zijn ideeën, zijn sterke verhalen over vervlogen tijden? Zijn humor was ooit subliem geweest. Even probeert hij nog in zijn geheugen te graven naar flarden van de vorige avond. Maar dan moet hij toegeven dat hij het niet meer weet. Aan haar, merkwaardig schepsel, gaat hij het niet vragen, zoveel is zeker. Wat een toestand, denkt hij, terwijl zijn blik over de verhuisdozen glijdt. Terwijl hij zijn leven draagbaar probeert te maken in kartonnen dozen, probeert te conserveren met plakband en naametiketjes, ontglipt de vorige avond hem nu al, en drukt de idee van alle avonden daarna op hem als het loodzware borstbeeld van Hegel dat hij twee dagen geleden had weggegeven. Op het nachtkastje staat nog een kop koude koffie van drie dagen ervoor, met daarin dobberend, een beginnend vlekje groene dons schimmel. Maar wat heeft het nog voor zin? Misschien kan ik hier doodgaan, in dit bed. Schaar ik nog wat boeken om me heen, lees ik tot mijn lichaam een uitgemergeld geraamte is en mijn oogleden aan elkaar plakken van de slaapkorrels. Het klinkt zoals een waardig einde. Maar dan stoot de elleboog van Monique terug in zijn zij: ‘Sorry!’ Hij draait met zijn ogen. Het rustig sterven is hem duidelijk nog niet gegund.

‘Wat gaan we vandaag doen?’ zegt ze. Zijn blik valt op een verse stylostreep op de deken. Ze vouwt de stof gauw dubbel en glimlacht. Het kind wil Parijs zien. En hij is nog niet klaar om te sterven.

‘Kom uit dat bed,’ zegt hij.

Parijs is vandaag mooier dan ooit, wat een afscheidsgeschenk. Wanneer hij op de drempel staat en de zuidenwind hem warm in het gezicht waait, slaat zijn stemming in één keer om, alsof hij met het dichtslaan van de voordeur in een ander verhaal is gestapt. De hese goeiemorgengroet van Georges, de bloemist die altijd sigaren rookt tussen de fresia’s, ontroert hem. Dit had hij veel eerder moeten doen. Nooit meer keert hij terug naar dit ellendig huis. Marie komt er toch niet terug van. Parijs, prachtige vrouw, mist hem. ‘Er valt geen tijd te verliezen!’ zegt hij, want zo voelt het ook, en hij glimlacht naar Monique terwijl hij haar drie straten verder meesleurt naar de bakker. Hij propt een stokbrood in haar mond, eet zelf een halve croissant, slurpt zijn veel te zwarte koffie, en troont haar mee naar alle kleine plekjes, alle vroegere tijden, alle vergeten momenten met Marie en de mannen. ‘En daar, aan Montmartre…’, ‘en daar, in de Rue de Thermopyles…’, ‘en hier, op dit bankje, in deze straat, bij deze fontein en die boom!’ De zwaarte van deze ochtend blijft weg terwijl de verhalen blijven komen.

En Monique is weergaloos. Het lange, zwarte kleed zwiert om haar benen. Ze knipoogt van onder een grote, rode hoed. De hoed van Marie.

Terwijl hij het bordje in de keuken met kattenvoer had gevuld, had hij haar betrapt voor de spiegel in de hal. Langzaam had ze haar lichaam gedraaid, terwijl ze haar eigen gestalte keurde. Het hoofddeksel, scheef op haar hoofd. Blik gefixeerd op de spiegel had ze, met een onbeschaamd voyeurisme van een meisje nog nieuw in haar eigen lichaam, met haar heupen gewiegd en een kleine pirouette gemaakt. In een opwelling had hij gevraagd: ‘En, wat zegt de spiegel?’ Zij was opgesprongen, geschrokken van zijn plotse mannenstem in de stille hal. Ze had gebloosd.

In het begin is het toch een beetje vreemd, de rode hoed, zo, op dat jonge hoofd. Maar wanneer de wind waait en Monique hem lachend toezwaait met één hand, de andere op de rode stof, de randen vrolijk wapperend – denkt hij: God, ze staat er beter mee.

Hij laat toe dat ze zich vastklampt wanneer hij haar meetrekt over de kasseien. Hij vertelt haar honderduit, en alles door elkaar. Hij trakteert haar op rode wijn. Zegt dat ze niet mag morsen, morst dan zelf. Zij lacht, waarop hij lacht.

Zij volgt hem met dezelfde grote glimlach van  vanochtend, giet de wijn naar binnen, struikelt over kasseien, klampt zich vast, begroet bakkers, tuinmannen, oude vrouwtjes in de schaduw. Kijkt in tegen de felle zon en lacht, en houdt zijn hand vast in het park.

Het kwartier van Saint-Germain-des-Prés kijkt hen na. Hij voelt het. De oude man en zijn lappenpop. Allemaal kenden ze Marie. De stad weet dat ze weg is. De stad weet dat Monique kijkt naar een soort kerkhof.

‘Wat een prachtig kerkhof. Vind je niet Monique?’

Monique knikt en ze geeft hem een kus.

Het is middag en ze zitten op een houten bank in het midden van een grote, witte kamer. Slechts één schilderij siert de muur voor hen. ‘Uncle Dominique,’ leest het plakaatje links onder. Het portret toont een man van rond de veertig, ingepakt in een kostuum dat even zwart is als zijn dikke baard, zijn borstelige wenkbrauwen en zijn strak naar achter gekamde hoofdhaar. Met donkere ogen staart hij naar een punt voorbij de schilder. Bijna alsof de man zich erbij heeft neergelegd, denkt hij. Het leven. De eenzaamheid. Zijn stramme schouders.  

‘Hoe vielen jullie in slaap?’ fluistert Monique.

Zijn blik blijft hangen op de wang van de man. Een roze veeg lijkt bijna een traan.

-‘Marie kon nooit slapen,’ fluistert hij terug. ‘Steeds wanneer mijn ogen toevielen, begon ze te wriemelen. “Niet in slaap vallen, ik wil de eerste zijn!” zei ze, en ze bleef aan mijn oor trekken tot ik reageerde.’ Hij glimlacht, maar heel even.

‘Nu ben ik degene die niet kan slapen.’

-‘Tenzij de kat bij je in bed kruipt.’

Hij kijkt op. Monique kijkt nog steeds naar het schilderij. Zonder om te kijken zegt ze:

‘Mijn vader is net zo.’

Aan de uitgang van het museum zit een zwerver. Terwijl hij zijn zonnebril zoekt, staart zij ongegeneerd naar het kartonnen bordje aan zijn voeten: ‘Help!’ staat er in grote drukletters op. Wanneer ze ziet dat hij verder wil wandelen, knikt ze de man nadrukkelijk toe. De zwerver knikt terug, en steekt zijn plastieken potje met muntstukjes naar haar uit.

‘Het is moeilijk om medelijden te hebben met alle bedelaars in Parijs,’ zegt hij als ze langs de boulevard wandelen.

– ‘Ik had geen medelijden met hem,’ zegt Monique.

‘Wat was het dan? Puur voyeurisme?’ Hij lacht.

– ‘Misschien wel,’ en ze glimlacht alsof ze nu pas doorheeft dat dat misschien niet gepast is.

‘Dan ben je vast de enige. Eerlijk? Ik kan er soms kwaad van worden. Van dat aangesmeerd schuldgevoel – gewoon door daar te zitten met hun leeg bekertje en hun smekende ogen, op een zonnige dag. Alsof het mijn fout is!’

Ze haalt haar schouders op: ‘Ik geef ook nooit geld. Maar ik probeer hen toch altijd aan te kijken. Niets is verschrikkelijker dan het gevoel te hebben dat niemand je ziet.’

– ‘De volgende zwerver die ik tegenkom, knik ik toe!’

Ze lacht. Ze lopen voorbij een bankautomaat waar een oudere vrouw met een vuile doek rond haar hoofd op een oude matras zit. Wanneer ze merkt dat het paar oogcontact met haar maakt, steekt ze haar hand uit. Ze knikken haar toe en wandelen verder. Even kruisen haar lichtbruine ogen de zijne. Hoewel het hem een vreemd gevoel geeft, moet hij toch lachen. Monique lacht met hem mee. Als ze in de tuin van het Louvre wandelen zegt ze: ‘Je doet alsof ik een heilige ben. Maar zoveel verschil ik niet van hen. Als ik naar hen kijk, zien zij mij ook. Misschien is dat wel wat me écht drijft: zélf gezien te worden, door hun blik.’ Hij fronst. Ze lacht, en steekt verontschuldigend haar handen in de lucht: ‘Is dat niet de grootste rijkdom die zij mij te geven hebben?’

Pas tegen negen vinden ze een plek om te eten. Hij had haar eerst meegenomen naar zijn vaste plek, de Place de’lHorloge, zichzelf alvast verkneukelend over de coque au vin. Maar bij Place de l’Horloge stond oreo-ijs niet op de dessertkaart. In het begin had hij het grappig gevonden, vertederend bijna. Hoe ze van restaurant naar restaurant liepen. Hoe de obers haar hadden aangestaard: ‘Oreo? Nee, madame.’

Hij houdt het slappe stukje pizza tussen zijn duim en wijsvinger. Hun tafeltje wiebelt op de ongelijke tegels van het trottoir. Een auto rijdt luid toeterend voorbij. 

‘Te bedenken dat we vanavond hadden kunnen genieten van – ’

-‘Heerlijke coque au vin, ja.’ Ze draait met haar ogen.

Hij trekt zijn wenkbrauwen op. Ze lijkt wel een puber.

‘Het spijt me dat deze oude man je tegenvalt. Ik had ook liever een ander tegenover me gehad, geloof me!’ Het komt er harder uit dan hij had gedacht.

Ze kijkt hem aan maar antwoordt niet. Een sigaret trilt in haar hand. Haar nagels zijn afgebeten. Wanneer ze zijn blik opmerkt, trekt ze de mouwen van haar vestje over haar handen. Plots heeft hij spijt. Ze wou waarschijnlijk gewoon wat aandacht. Iemand die haar zei dat ze lief was. Of knap misschien. En hij, warhoofd, had haar meegesleurd van hier naar daar, terwijl hij ondertussen niets anders had gedaan dan praten over een andere vrouw.

‘Monique, zo bedoelde ik het niet. Je bent een knappe, lieve vrouw, en ik vond het fijn vandaag, met jou.’

Haar verwachte glimlach blijft uit.

-‘Fijn?’

‘Fijn.’ Wanneer hij zichzelf herhaalt, klinkt het vreemd. Haar vraag brengt hem in de war.

Op de achtergrond vallen een paar glazen kletterend op de grond.

– ‘Fijn? Ik ben geen porseleinen pop, Michel. Ik hoef geen complimentjes of medelijden.’ Ze vouwt haar hoekige armen voor haar borst.

‘Weet je wel hoe kinderachtig je bent?’ ze wijst naar hem met haar sigaret, ‘met je veel te grote rode sokken, je scheve bril, al die tussenstops die we moesten maken omdat je anders door je knieën zakt? Alsof je geen vijftig maar zeventig bent. Hoe oud ben je zelfs?’

Voor hij iets kan zeggen gaat ze verder: ‘Maar nee, ik ben degene die getroost moet worden. Degene waar je voorzichtig mee moet zijn, met woorden zoals “lief” en “knap”.’ Ze inhaleert snel en blaast de rook uit. ‘Alsof ik een kind ben, dat te onnozel is om te snappen dat je je vrouw mist. Iemand die lacht als je zegt dat het fijn was. Fijn! Doe ik alsof jij seniel bent? Te breekbaar om van te houden?’

Eerst denkt hij dat haar vraag retorisch is, maar wanneer ze hem blijft aankijken, schuifelt hij ongemakkelijk in de plastiekrieten stoel.

‘Wat wil je dat ik zeg? Het spijt me,’ zegt hij uiteindelijk.

Ze kijkt hem met gefronste wenkbrauwen aan.

Wat ziet ze er streng uit zo, denkt hij. Maar heeft ze gelijk? Toegegeven, die rode sokken zijn ook wel een beetje onnozel. Maar het is nu eenmaal zo: hij is een oude man. Hij is zijn liefste kameraad verloren en zijn knieën doen ook pijn. Een licht ironische lijdzaamheid is al wat hem nog rest, het enige om ’s ochtends nog voor op te staan, een elegant vestje triestigheid voor bij de sokken. Is dat zo verkeerd? Zijn blik valt op haar linker pols. Als de sinistere schaduw van een armband, is haar dunne huid blauw met paars omringd. Innerlijk schudt hij zijn hoofd. Jean mag zo’n dingen niet doen, het is verkeerd.

Monique kijkt hem intussen nog steeds fronsend aan. Maar ze ís geen breekbaar ding, denkt hij. Ze ziet er gewoon grappig uit, zo fronsend zeker van zichzelf – met geen greintje zelfmedelijden. Alsof ze er alles aan doet om maar geen meewarige indruk te maken. En toch. Juist daardoor zag ze er zo… kwetsbaar uit. Had ze dat zelf ook door? Misschien was dat nu juist het hele punt. Hij kan zichzelf wel voor het hoofd slaan.

‘Het spijt me dat ik medelijden met je had.’ Het komt eruit als een zucht. Monique knikt.

‘En het spijt me voor mijn leeftijd. Wat moet een jong meisje met een man zoals ik?’ zegt hij, en hij wijst naar zichzelf, alsof er anders verwarring mogelijk is. Plots vraagt hij zich af wat Marie zou denken moest ze hem zo zien zitten. Vreemd, denkt hij, dat die gedachte nu pas bij me opkomt. Gedurende de hele dag was hij moeiteloos van de ene wereld naar de andere gezwalkt, en had hij Marie gemist in de ene, was hij Monique vergeten in de andere. Maar op dit moment komen de twee vrouwen samen op het trottoir, en kijkt hij met verbazing hoe Marie met opgetrokken wenkbrauw achter Monique staat: ‘Lieve, waar ben je nu weer mee bezig?’

– ‘Ik weet niet wat me bezielt. Het enige dat ik weet, is dat ik hier, nu, bij jou wil zijn,’ zegt ze.

‘Je kunt toch moeilijk nu al verliefd zijn,’ zegt hij.

Monique antwoordt niet, maar laat zijn vraag hangen in het geroezemoes rondom hen.

– ‘Nee, ik ben niet verliefd,’ zegt ze tenslotte. Haar blik volgt de rug van een voorbijganger. Het is een bejaard vrouwtje met een magere, kromme rug. In haar handen draagt ze twee zware, plastieken zakken. Moeizaam waggelt ze verder, de ene voet na de andere.

– ‘Soms voel ik me zo oud,’ zegt ze. ‘Maar vandaag – vandaag niet.’ Ze kijkt hem aan en glimlacht. Haar ogen zijn vochtig.

Hij nipt van de wijn. Bedenkt zich hoe het zou zijn. Hoe hij haar eindeloze dagen lang op sleeptouw zo nemen in de smalle straten van Parijs. Hoe hij haar met grote gebaren zou vertellen over Degas, Monet, Manet, Racin, Balzac, Baudelaire, Zola, de gebroeders Goncourt. Hoe zij hun namen niet uiteen zou kunnen houden, en ze zou blijven vragen naar Zola. Hoe zij hem zou vertellen: ‘Zonder jou ga ik dood.’ Hoe hij haar gezicht zou strelen met de tederheid van een oude man die weet dat dat niet waar kan zijn. Hoe hij op een dag zou sterven, en zij met de afscheidsbrief in haar hand zou kijken naar de gang vol schilderijen in bubbeltjespapier, aan haar geadresseerd op zijn expliciet verzoek. Hoe hij een afwezigheid zou zijn daarna, een verhaal waarover ze niet zou kunnen praten, een verhaal dat zou blijven kleven aan haar muren. De vereeuwigde voorganger van elke volgende man in haar leven. Haar eenzame mentor. Haar beste vriend, achteraf gezien dan.

Ze kijkt naar hem. Vraagt ze zich af wat hij denkt? Haar blik dwaalt terug af. Ze wenkt een ober en vraagt om een cola.

Misschien zou het triestig zijn. Misschien zouden ze jarenlang ongelukkig zijn, elkaar het leven zuur maken omdat ze niet meer zonder elkaar, maar ook niet met elkaar zouden kunnen leven. Zij, wrokkig omwille van de tijd die hij haar had ontnomen toen ze zelf nog te naïef was om te beseffen dat ze die had gehad. Hij, verbitterd om haar plotse uitvallen, haar kinderlijkheid die al snel al zijn charme had verloren en vervormd was tot een schelle achterlijkheid. Of zou ze te slim voor hem zijn? Reeds na een maand of twee verveeld gapen wanneer hij iets vertelde, en hem in de rede vallen: ‘Bedoelde je niet De Beauvoir?’ Hem verlaten voor een magere jonge kerel met donkere krullen en rode lippen – haar mannelijke spiegelbeeld. Zodat hij, wanneer ze elkaar per ongeluk op de markt tegen het lijf zouden lopen, zich niet alleen gebroken zou voelen bij het zicht van haar hand in de zijne, maar ook misselijk zou worden van dat bevreemdend gevoel getuige te zijn van iets dat even naïef als incestueus leek.

– ‘Denk je dat ze elkaar ooit zijn tegengekomen?’ vraagt ze.

‘Wie?’

-‘Madame Cézanne en Uncle Dominique.’

‘Dat kan toch bijna niet anders.’

– ‘Denk je dat ze elkaar konden uitstaan?’

‘Ik zie niet in wat ze elkaar verteld zouden hebben.’ Hij klopt even op zijn vestzak. Als deze leeg is, vraagt zich af hoe hij zijn pijp thuis vergeten kan zijn. 

– ‘Hoezo?’

‘Madame Cézanne was niet meer dan een randfiguur. Niet opmerkelijk anders, dan dat ze uren poseerde voor haar man. Over wat zou ze het hebben, zomaar, op een zonnige namiddag? Laat staan met Uncle Dominique. Die in zichzelf gekeerde man, zwetend in dat zwarte pak, met de zon erop. Een triestige namiddag, zou ik zo denken.’

– ‘Ik begrijp niet waarom je hen zo banaal maakt in je verbeelding. Jij noemt hen randfiguren, maar we blijven wel kijken. Misschien lachen ze niet, maar ze slaan hun ogen ook niet neer. Ik vraag me af of Cézanne met hen gepraat zou hebben toen hij hen schilderde. Of gaf hij daar niet om?’

Hij haalt zijn schouders op, alsof hij zich wil verontschuldigen in naam van de schilder.

– ‘Hoe kan je uren bij iemand zijn, zo diep in iemands’ ogen staren om toch maar die tint blauwgroen, de tristesse, te vatten op een doek – zonder ook maar iets te willen weten over wat hen daar, zo stil en triestig, bracht?’ 

‘Ik weet het niet, Monique. Ik weet ook niet alles.’ Plots voelt hij zich moe.

– ‘Misschien voel ik me wel verbonden met hen.’

Even zijn ze beiden stil.

 ‘Ik heb jarenlang gekeken naar dat schilderij,’ zegt hij tenslotte. ‘Telkens wanneer ik wakker werd, was ze het eerste dat ik zag. Haar harde ogen. Die lichtelijk neerbuigende, opgetrokken wenkbrauw. Haar handen, lijdzaam in haar schoot. Nooit heb ik me daarbij vragen gesteld. Ik bewonderde zijn spel van kleuren, de manier waarop hij haar handen niet had afgemaakt. Maar nu besef ik net dat ik haar nooit echt gezien heb. Dat ik niets over haar weet.’

‘Ze kijkt je nochtans recht aan,’ zegt ze, terwijl ze een nieuwe sigaret probeert aan te steken.

‘Het is toch bijzonder, niet?’ zegt ze. ‘Madame Cézanne kijkt naar Cézanne kijkt naar Uncle Dominique kijkt naar iemand anders die er niet is. Allemaal lijken ze iemand te missen, steeds gaat hun blik naar een ander. En wij kijken naar hen.’ Haar blik gaat naar het zwakke vlammetje van de aansteker. Zenuwachtig fladderend in de wind, is het nog steeds niet in staat om het rolletje tabak aan te steken met zijn warmte. ‘Maar maakt dat ons zielig?’ vraagt ze, en ze wijst met haar sigaret naar hem.

‘Geef dat aan mij,’ zegt hij, en hij pakt de aansteker van haar over. Terwijl hij met zijn ene hand de aansteker ontvlamt, schermt hij met de andere hand de wind af van het puntje van de sigaret. Met haar handen maakt ze een kommetje over zijn hand. Het gebaar ontroert hem. Het tipje licht gloeiend op.

– ‘Gelukkig heb ik jou,’ zegt ze, terwijl ze glimlachend een haal neemt.

Ja, gelukkig, denkt hij.

Als ze opstaan om te vertrekken, tikt de ober tegen haar schouder en fluistert haar iets in het oor. In zijn oor zit een kleine piercing, op zijn pols staat een tattoo met coördinaten. Ze glimlacht met haar hand voor haar mond, alsof ze iets wil verbergen. Wanneer ze ‘nee,’ schudt, lijkt de man aangemoedigd, en houdt haar hand vast. Ze slaat zijn hand niet weg. Hij kijkt ernaar met groeiend ongeloof. ‘Is het oké als ik meega met Vincent?’ vraagt ze, nu aan hem. Haar wangen zijn rood.

– ‘Ken je deze man?’

‘Hij zei juist zijn naam.’

– ‘Natuurlijk ga je niet mee!’

Ze trekt haar wenkbrauw op.

Ongelofelijk. Op minder dan een minuut had ze besloten met een wildvreemde mee te gaan. Het was bijna even lachwekkend als absurd. De man knijpt nog eens in haar hand en laat haar achter.

– ‘Dus eender welke kerel legt zijn hand op je schouder en jij volgt?’

‘Maak je je zorgen om mij? Ik kan mezelf beter redden dan je denkt.’ ze glimlacht en knijpt hem nu zelf in zijn hand. Hij trekt zijn hand weg.

– ‘Je weet niets van de wereld.’

‘En jij gaat mij daartegen beschermen? Je bent mijn vader niet.’ Ze kijkt naar beneden. Ze zegt het kalm, bijna verveeld. Wat is het toch met dat kind? Ze heeft de hoed afgezet. De wind speelt met haar korte haar. Een lok valt voor haar ogen, ze lijkt het niet te merken. Opnieuw moet hij denken aan een lappenpop. Zo slungelig en mager als ze is, lijkt ze haar lichaam even gemakkelijk rond het zijne te wikkelen, als dat van een ander. Zou je haar een jaar lang in een hoek laten liggen, ze zou waarschijnlijk niet eens knipperen. Een glimlach, onverwoestbaar op haar gezicht genaaid. Ze pakt haar tasje om te vertrekken.

– ‘Voel jij wel iets? Of leen je jezelf zomaar uit aan anderen?’

Met haar rug naar hem gedraaid blijft ze staan. Ze antwoordt niet.

– ‘Maar ik snap het nu,’ zegt hij tegen haar rug. ‘Voor jou is het echt om het even. Nu kruip je bij mij in bed, over een paar uur kruip je uit het bed van een ander. Wie je maar aandacht geeft.’ Hij lacht even, in ongeloof: ‘Iedereen is inwisselbaar voor jou, niet? Zelfs een zwerver kan je krijgen!’

Zijn eigen hardheid doet hem schrikken. Even hangen zijn laatste woorden tussen hen als een gespannen koord dat dreigt te knappen.

‘En ik ben niet inwisselbaar,’ zegt ze tenslotte. Ze draait zich om: ‘Ik ben op één dag tijd onmisbaar geworden in je leven.’

– ‘Zo zou ik het niet stellen, –’

‘De hele dag al praat je alleen maar over je vrouw en je leven dat nu voorbij is. Als ik iets zeg zucht je alsof je geïrriteerd bent, of luister je niet eens naar wat ik zeg. Je vond het rotvervelend om hier te moeten eten. Wat maakt het je uit dat ik wegga? Je ziet me in de eerste plaats al niet staan!’

– ‘Dat is niet waar.’

‘Nee, ik laat me nemen door elke man die ik tegenkom. Waarom zou je zelfs met mij gezien willen worden? Komt dit voor jou niet perfect uit, de oplossing voor het probleem? Ik verwijder mezelf, voor de teleurstelling te groot wordt.’

Haar woorden verwarren hem, al weet hij niet goed waarom.

‘Je moet niet overdrijven,’ zegt hij dan maar, maar ze schudt haar hoofd. ‘Ik heb het allemaal weer mooi verpest. Maar dat is wat ik doe,’ zegt ze, en in dezelfde adem draait ze zich om en loopt ze weg.

‘Monique! Stop!’ roept hij haar na. Maar ze loopt verder, van straathoek naar straathoek. Hij probeert haar bij te houden, maar is al snel buiten adem. ‘Wacht dan toch!’ zegt hij. Hij verliest zijn hoed. Ze verdwijnt uit het zicht. In een laatste poging haar in te halen doet hij nog een kleine sprint, maar struikelt dan over een uitstekende kassei en valt. De grond voelt koud en nat tegen zijn wang. Langzaam staat hij op, klopt zijn broek af. Het kleine ronde pleintje aan de kerk is verlaten. Ach, wat heeft het voor zin, denkt hij. Hij is haar kwijt. Voorzichtig zet hij zich op de trappen aan de grote houten deur met ijzeren hendels. Zijn knie steekt een beetje. Hoe dwaas. Al een hele dag loopt hij in cirkels, zijn eigen leven achterna. Alsof er nog een kans is. Alsof, als hij maar blijft lopen, hij haar zal terugvinden, tegen de tijd in zal kunnen terugkeren naar dat moment. Dat moment waar hij haar niet alleen had moeten achterlaten, maar ook zichzelf. Plots voelt hij zich moe in al zijn botten, alsof hij zijn lichaam zou kunnen neerleggen op de koude trappen en nooit meer zou opstaan, vergroeid met het mos tussen de stenen. Maar dan lijkt ook dat idee weer zo uitgeleefd. Misschien is het tijd, denkt hij. En voor een seconde lijkt het leven een stuk minder zwaar. Hij zucht. Maar ik kan het niet loslaten. Ik kan haar niet loslaten.

Van achter de hoek hoort hij een aansteker knisperen. Een kort geluid, maar genoeg. Wanneer hij opstaat en de kerktuin in wandelt, ziet hij Monique zitten tegen de muur. Hij geeft haar een hand. Zonder een woord te zeggen lopen ze naast elkaar. ‘Het spijt me,’ zegt hij, en hij hoopt dat hij het woord niet al teveel heeft uitgeput vandaag. Ze haalt haar schouders op. Dan zegt ze: ‘Ik weet wel dat ik niet alleen kan zijn. Maar vanavond wil ik mezelf daarom niet haten.’

Hij knikt. Ze haakt haar arm in de zijne.

De lichtjes aan de Seine weerkaatsen in het water. Monique laat haar benen bengelen over de rand. Ze rookt een sigaret en staart voor zich uit. Een jongeman spreekt haar aan: ‘Hebt u een vuurtje?’

De twee roken en praten, hij voegt zijn benen bij de hare.

Hij zit wat verder. Zijn benen zijn stijf en het buigzame hout zit beter dan de harde grond. Hij bekijkt haar van op een afstand. Monique zal een mooie vrouw worden. En wat is ze jong. En hoe is ze lief. Voor hem, voor die onbenullige jongen, voor de wereld. Daar zit ze nu, met die onnozelaar, haar hele leven nog voor zich. En daar zat hij, toen, kijkend naar Marie, op blote voeten. De avond, het begin voor altijd. Nu, als een slechte grap misschien, wreedaardig gedupliceerd – maar even tijdloos glinsterend in de Seine.

Monique laat de jongen alleen achter en komt naast hem zitten. Ze legt haar hoofd op zijn schokkende schouder. Fluistert woorden die hij maar half verstaat. Een slaaplied, of het einde van een sprookje misschien. Het helpt. Haar adem, warm tegen zijn oor. Een troostende jongemeisjesstem.

 ‘Hoe doe je het toch?’ vraagt hij.

Ze haalt haar schouders op. Haar make-up is wat uitgelopen rond haar ogen. Ze neemt nog een trek van haar sigaret en blaast langzaam, met licht getuite lippen, de rook naar de hemel.

Samen kijken ze naar de nacht.

(2019)