Mijn borsten

Ze was drieëndertig, net zoals Jezus, en reed zoals een hiphopper met de radio bonkend aan. Q-Music. Ik kende haar niet goed, maar dat herinner ik me nog, omdat mijn moeder Q-Music ook altijd zo overdreven luid opzet. Zelf had ze geen kinderen. Een baby, niet de hare, krijste eenzaam in de stille, volle kerk.

    Kanker. Opnieuw stonden we hier. Hetzelfde verhaal, andere vrouw. Bijna voelde het routineus. Ik was niet kwaad. Ze was wel populair, bedacht ik me. Op de voorste rij alleen maar mensen met rode ogen. Haar vader. Haar moeder. Twee broers en een zus. Een lief met lang haar. Schuifelend en snuitend daarachter, een grote groep vrienden. Een koor misschien, of een voetbalploeg. De volgende rijen, bezet door uitzonderlijk veel familie. Collega’s misschien. Collega’s komen meestal massaal naar begrafenissen. Ze krijgen er waarschijnlijk een dag vrij voor. Belangrijk voor de rouwverwerking en de goede gang van zaken.

    Wij zaten achteraan, achter een dikke pilaar, tussen de mensen die kwamen voor andere mensen. De oude buurvrouw van de vader. De huisgenoten van de zus. Allemaal deftig in het zwart, en zo stil mogelijk triest.

    Helemaal achteraan, in een hoekje van de kerk, stond een groepje van een zevental kinderen, begeleid door een man met verschoten, groene hoodie. Ze friemelden aan hun kleren en draaiden in het rond, maakten apengeluiden en giechelden. Eén ervan zat in een rolstoel. Vier kinderen stonden recht, een drietal zat op de grond. Het klasje van de moeder, speciaal uit hun routine gehaald. Ze hadden elk een tekening vast. Sommigen hadden het papier al terug verfrommeld, of smeerden de glitters van hun tekening op hun gezicht. De man met hoodie zat uitgezakt op de laatste stoel, en leek de kinderen niet op te merken. Ik stoorde me, eerder nog aan hem dan aan hen, en draaide me om om iets te zeggen. Op dat moment viel ze mij op.

    Misschien eerst omdat ze best groot was, tussen de andere kinderen, en er ook al ouder uitzag, veertien, vijftien. Daarna omdat ze dezelfde rok droeg als ik. Haar haar hing los langs haar gezicht, en haar jas hing open. Ze had geen trui aan, hoewel het toch koud was, alleen een roze T-shirt. Onder de T-shirt wiebelden haar dikke borsten, zonder bh. Maar daarover wond ik me nog niet op. Niets verkeerd met losse borsten.

    Het was dat ze met haar handen onder haar T-shirt kroop, en haar twee tata’s stevig vasthield. Vervolgens begon ze haar borsten te strelen en te kneden, als twee dikke deegballen. Ze bracht ze naar haar gezicht, alsof ze zichzelf aan het troosten was – en hoe degoûtant! Mijn voeten waren koud, maar de rest van mijn lichaam gloeide. Waar haalde ze het vandaan? De onbeschoftheid, en dat hier, zonder schaamte dan nog. Als ze kon, zou ze nog aan haar eigen tepels zuigen! Ik haatte haar intens. Alsof ík mijn borsten niet wou vastpakken, zomaar, als ik dat wou. Alsof ík geen zin had om zonder bh, lekker te bewegen, te schudden en te draaien tot ik moe was. Alsof ík het niet spijtig vond dat ik mijn tepels alleen kan raken met het tipje van mijn tong, en ze niet volledig in mijn mond kan nemen. Alsof mijn borsten niet van een ander zijn, níet van de maatschappij, níet van de dokter. Míjn borsten, niet alleen om te bedekken, in te snoeren of om een ander aan te laten lekken. Míjn borsten, niets om me voor te schamen, niets om bang van te zijn, niets om te amputeren. Mijn borsten, míjn borsten!

Nadat ik een paar seconden met mijn ogen tot spleetjes geknepen had staan staren, zonder resultaat, draaide ik me terug om. Ik was machteloos.

(2021)

Bron afbeelding: https://www.dionnevandenbijgaart.com/index/190066631_BORST+IN+BEELD.html#.YYlZL2DMJPY

Liever Nog Verschrikkelijk

‘Het leven is niet verschrikkelijk. Het is belachelijk. En dat, is onverdraagbaar.’

Op mijn zestiende kraste ik die woorden in het licht verende hout van mijn schoolbureau, onder ‘Ik hou van Thomas’, de laatste bijdrage aan de rij van anonieme tienerconfessies. Het was een citaat uit het toneelstuk ‘Hedda Gabler’, vanuit het Noors vertaald naar een podium in Gent – of zo stond het toch op de recensiesite. Misschien was het een creatief verzinsel van de journalist die het artikel moest schrijven. Ik was niet bij de opvoering en heb het citaat nooit meer ergens anders teruggevonden, ook al is het best een bekend stuk. Nochtans had ik een ticket gekocht, en had ik zelfs het plan opgevat om er een opstel over te schrijven voor Nederlands. Helaas, op de trappen van het theaterhuis kreeg de vriendin die me vergezelde, een zware angstaanval – een heel ander verhaal, voor een andere keer – waardoor we strandden voor de open deuren van de zaal. Terwijl de deuren sloten en het stuk begon, lag zij oncontroleerbaar te trillen op de tegels van de inkomsthal. Ik kon haar niet achterlaten in die scène, toch zeker niet voor een gelijkaardig drama, en dan nog eens fictief. Achteraf, aangezien ik toch iets moest schrijven voor die opdracht van Nederlands, besloot ik mijn recensie te distilleren uit de recensies van anderen. Uiteindelijk werd ik beloond met een negentien op twintig, grootste onderscheiding, en dat, zonder er zelfs maar geweest te zijn.

En zo zou het verhaal kunnen eindigen, licht heldhaftig, met een beetje bricoleur-gehalte, of toch tenminste een teken van ontluikend verteltalent. Toch, bij het scrollen door de recensies achteraf, – het optreden bleek een gigantisch succes te zijn – voelde ik spijt. Spijt dat ik het had gemist. En zelfs nu nog, na al die jaren, krijg ik van tijd tot tijd zin om op zoek te gaan naar een video, een transcript, iets om te achterhalen wat er juist verklaard werd met die mysterieuze woorden.

Die woorden, die voor mij vandaag nog steeds zo waar klinken: Het leven is niet verschrikkelijk. Het is de belachelijkheid die we niet kunnen verdragen. De belachelijkheid, ofwel, in mijn zestienjarige wereld, de schaamte over de banaliteit. De schaamte over het feit dat, terwijl al mijn helden in boeken een doel hadden, bijzondere vrienden of een geweldig talent, ik daarentegen elke avond alleen op mijn internaatskamer zat te luisteren naar het inhoudsloos gekwekkel van Anke en Wim Oosterlinck op Q-music. Het werd uiteindelijk zo erg dat ik op mijn zeventiende niet meer in mijn eigen dagboek kon schrijven – zo afgrijselijk verveeld en diep teleurgesteld was ik, door mijn kleinzielige leven, mijn onvergefelijk saaie geest.

Jaren later, intussen tweeëntwintig, schreef ik er zonder het door te hebben, mijn thesis over: ‘Schaamte en de blik van de ander bij Sartre’, suggererend of we de ergste schaamte niet voelen onder de blik van anderen, maar onder onze eigen blik. Onze eigen blik, die ons hoe dan ook achtervolgt, overal getuige van is, geen spatje bloed, kak, leugen of valsheid mist, de laatste stem die ons ’s nachts wakker houdt, en ons zelfs in dromen achtervolgt.

Het was niet zomaar een idee, het is een obsessie. In de voorbije jaren heb ik er vriendschappen door verbroken en relaties voor verlaten. Steeds vond ik mezelf op dat moment waarop ik de kamer rondkeek, in de ogen van een geliefde, of aan het luisteren naar een verhaal van een vriend, met afschuw beseffend hoe ik deel uitmaakte van een herhalingsaflevering. Een herhalingsaflevering van een slecht geschreven soap, met acteurs die me niet meer konden boeien. De mensen rond me wisten nooit wat er gebeurde, waarom ik zomaar verdwenen was, of wat ze hadden misdaan. En dat was natuurlijk de ergste tragedie: Ze hadden niets misdaan. Ze waren niet verschrikkelijk. Ze waren belachelijk. Want in hun banaliteit, werd ik geconfronteerd met de mijne.

Een tijdje geleden werd ik verliefd. Waar ik lang niet kon schrijven, vloeiden de woorden plots terug van mijn hart naar mijn handen op papier. Op den duur kon ik niet meer werken, en schreef ik stiekem op kantoor, dagenlang, ellenlange liefdesbrieven aan mijn geheime geliefde. Ik snapte niet wat me overkwam – hoe een ingebeeld publiek van slechts één normale man, een ongeletterde wetenschapper dan nog wel, me meer kon doen bewegen dan het vooruitzicht van erkenning door literatuurcritici of kunstzinnig gelijkgestemden. Sterker nog: Meer dan mijn eigen verlangen mezelf te lezen. Eindelijk schreef ik niet meer voor die zuurpruim die ik zelf was geworden.

Soms vraag ik me af of dit verhaal de kwelling is van elke schrijver. De forceerpoging alles in een beter daglicht te stellen – helderder, wijzer, blinkender. De leugenachtigheid, om ten slotte toch altijd geconfronteerd te worden met het einde van de dag, de limieten van de verbeelding, de onverbiddelijke desinteresse. De angst om in de foute tijd te leven, of tussen de foute mensen, en om een avond, een dag, een leven lang, gegijzeld te worden door hetzelfde repetitieve schouwspel, een volledig leven onomkeerbaar verloren aan de banaliteit en de vergetelheid. Alsof het allemaal om het even had kunnen zijn. Om als dertienjarige genegeerd te worden aan het avondeten, door de meisjes op de slaapgang. Om rond twee uur ’s nachts, door dronken mannen nageroepen te worden in een Leuvense straat: ‘Walvis, walvis!’ Om te wachten op die sms die nooit meer komt.

Moet er niemand zijn om dat te noteren? Iemand die zegt: ‘Kijk, het was verschrikkelijk. Daar doen we niets meer aan. Maar het was tenminste interessant.’

(2021)

Ik hou van antivaxxers

Daar liepen we in de overvolle winkelstraat, tegen mensen die nog vreemder gekleed gingen dan dat wat we normaal gezien op deze plek mogen verwachten. De onrustzaaiers waren met twee. Eén van de twee had een wit pak aan, met een pin op zijn hoofd. De andere had een grijze onesie aan, met een lange, dikke slinger die bengelde boven zijn stuitbeen. Ze sprongen op en neer, armen in de lucht, alsof ze aan het dansen waren op onhoorbare muziek – of een te hete kookplaat. De dingen die ze schreeuwden begrepen we niet, maar gelukkig is Yolan, die vaak gezelschapsspelletjes speelt en uitzonderlijk sociaal aangepast is, goed in het interpreteren van taferelen die voor mij doorgaans onbegrijpelijk zijn.

‘Die ene ziet eruit als een muis.’ Hij fronste even, kneep zijn ogen wat samen, om beter te kunnen kijken. ‘En die pin met dat wit… Een naald? Een spuit?’ Hij mompelde: ‘Een spuit en een muis – of een rat. Zou het? Wij, de labratten – en het vaccin, …’

Ik klapte in mijn handen alsof we de menselijke gedragsbingo hadden gewonnen: De antivaxxers! Nu ook aan de Hema in Brussel gesignaleerd.

Yolan maakt zich zorgen, en waarschijnlijk hoogst terecht. Maar eerlijk? Mij maakt het enthousiast. Sterker nog, ik hou van antivaxxers. En hoewel ik de eerste zal zijn om die spuit in mijn arm te duwen, helemaal overtuigd van het nut van een ingeënte maatschappij, zou ik in het geheim meer anarchistisch antivaxxer willen zijn dan wat anders. Ik hoop dat niemand hen ooit overtuigt, en dat ze blijven protesteren – ook al gaat de wereld eraan ten onder. De woede tegen hen heb ik nooit gesnapt. Wat is er zo frustrerend aan dat kleine zinnetje: ‘Ik geloof het niet’?

Nu ja, als je wil overleven in deze tijd, moet je wel geloven. Geloven dat het nieuws dat je leest geen fake news is. Geloven dat de nutri-score van die noedel schotel in de Delhaize wel écht A is. Geloven dat de onbekende bestuurder van de trein waarin je zit, geen rare toeren zal uithalen, gewoon omdat het vrijdag is. Wat als de twijfel dan toch toeslaat?

Tja, één keer je bent vertrokken op die trein – dan blijf je gaan, tot aan de maan: want hoe kan je weten of we daar écht zijn geland? En om van de maan naar de flat earthers te gaan: Ben jij ooit al rond de aardbol gelopen? Mijn vrienden worden zenuwachtig als ik zeg dat ik niet met zekerheid weet dat radioactiviteit bestaat, en proclameer dat ik geloof in Einstein, zoals een ander gelooft in God. Snap jij een snars van die formules? En was jij erbij toen de vaccins werden gemaakt, of de zogenaamde experten hun diploma’s haalden?

Stiekem denk ik: Waar zit de schande? We geloven allemaal. In de wifi. In de zwaartekracht. In de KULeuven. Een warboel van theorieën, mensen en instanties die ons leven bepalen, die ons leven mogelijk maken, en die we dagelijks aan het werk zien – maar waar we uiteindelijk niets van snappen. Kleuterachtig blijven we mekkeren: ‘Maar mijn mama zegt dat,’ en lopen we te verkondigen dat alles ‘wetenschappelijk’ verklaarbaar moet zijn, terwijl de meesten van ons nog niet eens kunnen verklaren hoe het kan dat de glazen schuifdeuren bij de bakker automatisch openen. Die krampachtige arrogantie, die kwade onwetendheid. Dat blind geloven – zo blind dat we niet eens doorhebben dát we geloven. Het is bijna té gemakkelijk. Alles dat je nodig hebt is één antivaxxer.

(2021)

Alleen maar woorden

Het is bijna twaalf uur ’s nachts, mijn tenen zijn koud en de thee ook. Een half uur lang luister ik nu al gebiologeerd naar Anneke Lucas. Auteur, spreker, oprichter van een organisatie die yoga mogelijk maakt in gevangenissen – en overlever van een moorddadig netwerk van seks handel.

Ze liegt.

Of althans, zo suggereert iemand in de commentaren. En wie zal zeggen of het echt zo is?

Deze vrouw, die vertelt over hoe ze als kind van zes werd doorgegeven op feestjes als seksspeeltje. Deze vrouw, die met smalle polsen voordoet hoe ze als tienjarige vastzat in haar T-shirtje, dat ze moest uitdoen van de vreemde die haar ging verkrachten. Deze vrouw, die vertelt over hoe ze na het orgasme van de man bovenop haar in haar kleine lichaam, verwoed zocht in haar hoofd: ‘hoe blijf ik in leven?’ – want ze had al kinderen vermoord gezien na de daad. Deze vrouw, die diep inademt, slikt, en stilvalt tijdens het vertellen, omdat deze beelden na al deze tijd nog steeds op haar netvlies gebrand staan. Deze vrouw zou kunnen liegen.

In een ander filmpje vertelt ze hoe ze elf was, en gemarteld werd op een slagersblok dat zwart zag van het bloed van de kinderen voor haar. Vandaag nog, zit haar lichaam onder de littekens van die zes uur durende foltering. De littekens van de vijf jaren verkrachting daarentegen, zijn onzichtbaar. Bijna alsof het nooit gebeurd is, zou je denken.

Om vijf voor twaalf raast er een woede in mij die moeilijk te sussen valt. Niet omwille van het verschrikkelijk feit dat we nog in een wereld leven waar dit kan, en waar dit elke dag nog gebeurt. Niet omwille van het ongeloof van iemand die duidelijk te bang is om deze waarheid te aanvaarden – wie verwijt het hem?

Het is het feit dat we zo kwetsbaar zijn, en slechts zo weinig hebben als een paar woorden en een stem. Een verhaal dat, zelfs met foto’s, zichzelf niet zonder twijfel kan bewijzen, omdat dat is hoe het er in deze dimensie aan toegaat: vergankelijk, subjectief, eenzaam. Zo gemakkelijk onderuit te halen door één opmerking, één vraag, zelfs maar één blik. Het verhaal hoeft zelfs niet bedekt te zijn door de mist van het verleden. Hoe vaak twijfelen mensen niet aan wat ik zeg, op het moment dat ik het zeg?

‘Niemand zet je onder druk, je beeldt je dingen in.’

‘Overdrijf nu eens niet.’

‘Misschien is het jouw fout wel. Misschien heb je het uitgelokt.’

En toch. Ik speel het filmpje opnieuw af. Deze keer beeld ik me in dat ze liegt. Dat ze een goedbetaalde actrice is, een willekeurige vrouw waar nooit iets mee gebeurd is, geen misbruik, geen verdriet, geen afwijzing en geen angst – want ja, zo’n vrouwen bestaan. Daar raakt haar stem weer die snaar, kijk ik in die menselijke ogen, luister ik naar iets dat alleen maar voelt als hartverscheurend en herkenbaar.

Het kan me niet schelen of ze liegt, of ze overdrijft, of ze spreekt over dingen die te minimaliseren zijn, in commentaren op youtube, in rechtssystemen overal, of door stemmen met meer macht. Het kan me niet schelen of ze slechts verteller is, en niet eveneens het verhaal, de hoofdpersoon, de heilige autoriteit met onaantastbaar recht van spreken – ook al schreeuwt alles in mij: Natuurlijk spreekt ze de waarheid!

Het is naast het punt.

Wat ertoe doet, is dat haar woorden raken aan iets waarvan ik voel, in al mijn koude botten:

Deze woede klopt. Deze onmacht is waar. Dit verdriet voelt nu al zoals het mijne. Niet van mij – maar gedeeld, gekend, omarmd. Met het weinige dat ze had – slechts een paar woorden en een stem, wist ze mij te bereiken, drong ze door in mijn leven, en maakte ze mij mee getuige.

Getuige van wat?

Feit of fictie? Littekens die niemand kan zien? Betwistbare gevoelens en ervaringen, want tja, toch subjectief?

Het is waar. Het zijn, hoe hard ook – alleen maar woorden.

En misschien is dat het enige wat nodig is.

(2021)

Zelf slachtoffer van seksueel geweld, bezorgd om iemand, of geïnteresseerd in meer informatie? Klik dan zeker door op onderstaande links.

https://www.nupraatikerover.be/

https://www.seksueelgeweld.be/

https://annekelucas.com/

https://www.slachtofferzorg.be/kindermisbruik/

Samen Sterven

Soms lig ik te sterven in Wereld Oorlog I. Meestal gebeurt het op een donkere avond – de laptop dichtgeklapt na de laatste vergadering met bijtende mopjes, finis. Onzeker over mijn behaalde resultaten, diep twijfelachtig over mijn aanwezigheid in het ‘team’, verloren, ja, misschien ook wel. Had het echt zo moeten gaan? Ik loop naar het raam, en kijk naar de hemel zonder sterren.

Daar lig ik, anoniem soldaat, in een West-Vlaams veld. Terwijl het aardvocht in mijn verschoten uniform kruipt, en mijn benen langzaam gevoelloos worden, adem ik de nachtlucht in. Op mijn rug luister ik naar de stilte, die doodse stilte na de veldslag, waar geen vogel meer zingt en geen bomen nog ruisen, waar geen hart nog rusteloos bonkt. Het einde.

En in dat moment gaan mijn gedachten terug naar de momenten ervoor. Hoe mijn collega – die mijn job wil, en achter mijn rug om deals zit te regelen – nu strijdmakker, zijn half uiteengereten lichaam op het mijne had gesmeten, om de kogels voor me op te vangen toen mijn munitie op was. Hoe we op een kritiek punt omringd waren door vijanden, tot ze plots één voor één neervielen als bij wonder. Ik wreef het bloed uit mijn ogen, kon niet begrijpen dat ik nog leefde, en keek op. Daar was de afstandelijke kuisvrouw, achter een barricade. Ze stak een duim naar me op. Scherpschutter tot het einde, tot en met het moment dat ze, ondanks het geschreeuw van de mensen rond haar, bleef schieten, weigerend ons achter te laten, en uiteindelijk zelf werd geraakt door een verloren kogel. Hoe mijn baas, altijd met net genoeg begrip voor zichzelf, het bevel van zijn hoger geplaatsten voor de eerste keer had genegeerd, zich een tank had eigen gemaakt en recht in de vuurlinie was gereden, zodat wij, voetsoldaten van zijn bataljon, dekking hadden. Met zijn vuist omhoog geheven, zijn credo schreeuwend, was hij ten onder gegaan: ‘It’s just a fucking job!’

Een glimlach kruipt over mijn gebarsten lippen, ze smaken naar zout en ijzer, tranen en bloed vermengd. Hier lig ik dan, ten midden van al die prachtige, getalenteerde mensen. Koude lijken nu, hun ogen opengesperd, alsof nog in het gevecht. Wreed vermoord, hun gezichten onherkenbaar kapot geschoten, nu al vergeten. Ten midden van haat, angst en eenzaamheid, hadden we elkaar gevonden. Op het moment van hoogste nood schoven we onze angsten opzij en ons ego aan de kant, en ja, offerden we ons leven op voor elkaar. Als niets er nog toe deed, als alles dan toch verloren was, waren wij tenminste samen.

Geen deadlines meer. Geen verrassingsaanvallen van dubbelspionnen. Geen vergaderingen die eindigen in eenzaamheid. Hier, op het slagveld ’s avonds laat, ligt dat leven achter ons.

Ademen gaat lastiger. Langzaam glijd ik weg. Het is niet erg. Het mag hier stoppen. We hebben samen gestreden. Laten we samen sterven.

(2021)