Koud Zaad, Kokend Water – meditatie over de wreedheid van enthousiasme

Het is zaterdag vandaag, en ik voel me afgrijselijk rusteloos. Ik ben juist begonnen aan mijn nieuwe job in IT rekrutering, en de overprikkelde gedachten en euforische gevoelens dringen zich uit mijn lichaam als een teveel aan kokend water uit een gebarsten kan. Een nieuwsbrief om de kandidaten betrokken te houden, een hiking weekend met software developers, het belang van veiligheid binnen een sterke bedrijfscultuur, en alles dat erbij komt kijken, elke stap die ik ertoe zou nemen – Enthousiaste ideeën en emoties lopen in hete straaltjes over mijn geest en verbranden mijn huid, de jeuk is verschrikkelijk, en wat nog erger is: ze zijn zo heet dat ze verdampen voor ik ze kan vatten. En hier zit ik weer, te schrijven voor mijn leven, verteerd door die wilde energie vanbinnen, in een poging mezelf bij te houden, te peddelen met mijn handen op het toetsenbord – alsof ik nog kan geloven dat die gedachten en gevoelens van mij zijn, en me niet overkomen als iets van buitenaf, een tsunami, een koorts, een waanzin. Soms lukt het om alles te vatten, en voel ik me innerlijk in rust, leeggelopen, leeggeschreven, badend in een kalme zee van oorspronkelijke stilte, waar alles vredig is en niets me nog overstroomt.

Enthousiasme, passie. Iedereen heeft het er vandaag over – misschien niet in die woorden, eerder nog in inversie: burn-out, depressie, verwarring, eenzaamheid. Maar willen we eigenlijk wel enthousiast zijn? Verteerd worden door passie, die stormachtige zee die overal tegen beukt, trekt en sleurt aan alles tot en met de metersdiepe bodem, die met een bijna onmenselijke kracht de sterkste schepen doet zinken?

Want wat blijft er nog over? Levert het me iets op, op zo’n losgeslagen manier te leven, steeds maar weer van bakboord naar stuurboord gesleurd te worden, overstroomd te worden door nieuwe ideeën, tintelende gedachten, mezelf te verslikken in zout water en mijn eigen tong, geen uitzicht te zien en geen richting meer te hebben?

Ik ben zo bang om mezelf te verliezen.

Op den duur herken ik mezelf niet meer, weet ik niet meer welke kracht van mij is: de kracht die alles wil kalmeren, of de kracht die zo weerbarstig in me stroomt, en me voortdurend wil overnemen. Mensen vinden het ‘mijn talent’, ‘mijn geweldig enthousiasme’ – maar is het zelfs van mij, en is het echt zo geweldig? Vaak ben ik bang dat ik uit elkaar val, letterlijk dan. Dat ik op de straat uiteenspat in blokjes of in ingewanden, en onderweg voortdurend moet controleren of ik al mijn ledematen nog heb. Misschien dat ik daarom mezelf steeds inpak in strakke onderbroeken, broekkousen, omsluitende topjes – mijn kleren als strak omhulsel om mezelf bij elkaar te houden, ook al voel ik dat innerlijk, mijn uiteenvallen al begonnen is. Maar ook naar anderen toe val ik uiteen: Eerst in enthousiaste ideeën en brede glimlachen, daarna in frustratie, woede, teleurstelling – of gewoon vermoeidheid.

Want op het einde van de dag schiet er niets meer over – niet van mezelf en niet van mijn ideeën. Ze zijn innerlijk ontploft in een soort orgastische sprong, zo geweldig dat het pijn doet. Even is er de extase, maar die ebt al snel weg. Daarna, of ik er nu in slaag om toch iets op te schrijven van wat me verteert, of niet, voel ik me zoals een man die zichzelf heeft afgetrokken op een slechte pornofilm. Eerst was ik rusteloos, ongeduldig, niet meer helder. Alles in mij schreeuwde om bevrijding, zalige bevrijding, prachtige bevrijding. Nu ik mezelf heb bevredigd, of eerder, heb toegegeven aan die kracht, kijk ik naar het koude zaad in mijn hand, dik en plakkerig. Daar, het resultaat van mijn beloftevolle bevrijding – niet terechtgekomen in een warm vrouwenlichaam, maar vies, voorbarig en eenzaam ter wereld gebracht in mijn handen – De schaamte en de tristesse, te beseffen dat het slechts dit was wat in me leefde. Slechts deze woorden blijven over. Slijm.

(2021)

Gedachtenschets: Over herkenning en herhaling

Misschien is het dat ik me niet meer herken in mijn eigen woorden. Schrijven voelde altijd als verlichting, een plek om dat wat binnen me leefde, te laten ademen op papier. Later werd het iets dat ik goed kon, iets om over te praten, iets om te laten lezen. Sinds kort is er iets veranderd. Ik kan niet meer lezen wat ik schrijf en lezen wat ik schreef. Integendeel, ik lees de woorden van anderen – plots valt het me op hoe hard ik toch, terwijl ik dacht vanbinnen mezelf te hebben ontdekt, nee, toch, anderen zat na te praten. Omdat ik niet beter wist. Omdat ik niet beter weet.

Niet dat het de kracht ervan ontneemt, noch de oprechtheid. Nee, het was oprecht en dat is het nog steeds. Het is niet omdat iemand anders het je voordeed dat jij de beweging met minder overtuiging voortzet.

Het is allemaal één grote herhaling – wat ik al wist. Maar wat ik onderschatte, was dat het zelfs niet eens zo groot was als mijn eigen herhaling, maar dat ikzelf een herhaling ben van al het andere.

(2020)

Gedachtenschets: Brussel, en andere paradoxen

En daar sta ik weer, in het novemberdonker om half zeven, te roken aan het dakraam van ons appartement. Een schim in het gebouw aan de andere kant lijkt me aan te staren vanuit z’n zetel. De lichten branden er de hele nacht. Soms rookt een vermoeide verpleegster op de binnenkoer.

In Brussel leven wij, appartementsbewoners, kantoorwerkers, ziekenhuisresidenten, zo dicht op elkaar, raam boven raam, kamer naast kamer, slechts gescheiden door dikkere of dunnere prefab muren. Je zou denken dat we elkaar op den duur zouden herkennen, of toch tenminste elkaar ooit kruisen, elkaars doorleefde zuurstof in- en uitademen, zoals die, zeker in dit stormachtig weer, wordt voortgestuwd door de wind, schurend en huilend tussen kieren en gaten, alsof er haast bij is. Toch zijn onze levens even banaal als onontkomelijk gescheiden door de slecht geïsoleerde muren die ons leven afbakenen. Zo zit de donkere figuur aan het raam gekoppeld aan een zuurstofmachine, en blaas ik de rook uit die mijn longen verschroeit. Onze levens, omgekeerd gespiegeld. Slechts een paar meters gescheiden van elkaar, staren we naar het leven van de ander, en weten we niet of die ander ons zelfs ziet – als Brusselaar kan je nooit helemaal uitsluiten dat je bent gestrand in een nooit erkende Bermudadriehoek, waar algemeen geldende wetten, juridisch of fysisch, noodzakelijk scheefgroeien of zichzelf overwoekeren, waar elke mens leeft in z’n eigen parallel universum, in z’n eigen taal, en je jezelf afvraagt of je waanzinnig wordt, of dat het echt is, die ene zwerver met lichtgevende ogen, aan de Delhaize. Hier weet je het nooit.

Ik weet niet of de figuur aan het raam, vastgekluisterd aan machines en medisch personeel, nog recht heeft op de vraag: ‘Wil ik nog leven?’ Ik, jonge zesentwintiger met een gezond lichaam en slechts licht vermoeide geest, zoals het hoort, speel ermee. Door niet goed te kijken of er een auto aankomt als ik oversteek, door pillen te mixen op goed geluk, door te roken alsof ik zeven levens heb.

Ik blaas de grijze wolkjes in de donkere lucht. Wil ik nog ademen?

Als kind hyperventileerde ik snel. Ik ademde te hoog, en bij verwarring steeg die hoogte zo snel dat ik erin bleef steken, mijn kleine kinderborst op- en neerging; mijn mond, happend naar adem, mijn ogen groot van angst, mijn oren toe voor de sussende woorden van volwassenen. Ik moest mezelf leren ademen, traag in- en uit, zo diep dat mijn buik ervan ging opzwellen, met gedachten aan ballonnetjes, kalme zeeën, hoge plafonds. Moeilijk allemaal. Zeker als je dat moest combineren met al het andere (wiskunde, vervelende vriendinnetjes, vreemde filmpjes op Youtube met flitsende kleuren, ik zeg maar iets). Misschien is het dat wat mensen doet roken. Het maakt ademen gemakkelijk. Het diepe inhaleren van warm vuur, troostend, lichtgevend. Het uitademen, een bevrijding van wat je eruit wil roken, zoals de brandweer een agressief wespennest zou verschroeien. Ik rook, omdat ik mezelf wil zuiveren. Ik rook, omdat ik wil ademen.

Laatst drukte iemand mijn keel dicht, tot op het punt dat ik naar adem begon te happen. Hij deed het op mijn vraag. Maar hij durfde niet doorduwen. Ik heb er altijd van gehouden om vastgehouden te worden. Een ferme hand die me bij elkaar houdt, die me ondersteunt, die me laat voelen dat ik besta, te vatten ben. Ik neem aan dat taal, en deze specifieke woorden, die rol eveneens vervullen. Woorden als handen om mijn gedachten en gevoelens in te leggen, om mezelf in te wikkelen als een deken. Hoe hard wil ik vastgehouden worden, en hoe hard wil ik leven? Wil ik rust, een uitweg uit de rusteloosheid, of wil ik ademen?

Hoe diep ik ook inhaleer, koude lucht als schuurspons, of rook als warme gloed, er is altijd dat moment van paradox, van rusteloze nood aan beslissing, aan omkering, aan terug uitademen. Het wordt nooit simpeler dan nu. Tot en met die laatste keer. Kan je inademen, en dan sterven?

Het licht aan de andere kant is uitgegaan.

(2020)

Flarde: De vrouw die verdween

In die streek, en zeker in de zomer, ging de zon opmerkelijk snel onder: van een statig diepblauw draaiden de kleuren van de hemel zich, als geraakt door onhoorbare muziek. Met verbazingwekkende snelheid liepen ze over in pirouettes van tinten geel, oranje, rood. De natte rijst, glinsterend in het licht van een tot dan toe felle middagzon, elke dag geserveerd in de eetzaal van het oude klooster om klokslag vijf, dampte nog, wanneer de hoge ramen zwart werden, en de duisternis het landschap opat. Alsof de tijd rond zonsondergang met een windeltje versneld werd, en je het gevoel had ofwel te verdwijnen in die beweging, ofwel gewaar werd dat de nacht je in een golf van kleur en licht, recht in de ogen keek.

Het was op zo’n avond dat ze verdween.

(2020)