Net Echt

Ik vertel mezelf dat het niet echt is.

Dat het tikken van de klok me niet zenuwachtig maakt. Dat ik niet echt denk dat ik zwanger ben als mijn regels een week te laat zijn. Dat ik het niet erg vind, dat onze was van Klaas maar twee dagen op het droogrek in de gang mag hangen, voor er een briefje op de frigo komt. Dat ik de dode vogel in het gras vergeten ben, toen, een paar meter verder van ons picknickkleed, die keer in het park in Lissabon. Dat Brecht, Vincent, Antoine, die ene blonde jongen, – dat geen van hen nog weet wie ik ben, dat ik uit hun geheugen gewist ben omdat het zo banaal was, zo saai dat niemand zich herinnert hoe mijn billen over oude onderbroeken puilen, hoe mijn borsten voelen, – en niemand nog denkt aan hoe mijn stem wat schel wordt bij de grapjes die ik maak als ik me ongemakkelijk voel. Dat ik geen hoofdpijn heb, en dat ik wél kan slapen, ook zonder slaappillen. Dat het een kwestie is van wennen. Wennen aan mensen die je goedbedoeld aanraken op je rug, zonder dat je dat wil. Wennen aan rauwe, bittere witloof op recepties. Wennen aan buikpijn en daarna aan honger. Wennen aan de tijd die overloopt.

Wie is ianthe? Ben ik dit echt, of loop ik achter op mezelf?

Daar zit ik dan, op een stoffige dag in juni, alleen in een broeierig klaslokaal, mijn notities verfrommeld in mijn hand. Examens zijn niet echt. Je moet het niet echt kunnen. Gewoon wat ze vragen. Gewoon wat ze zeggen. En dat punt op het einde is ook niet echt. Niemand geeft erom. Ik toch niet. Een punt zegt niets over mij. Niets. Ik ben geen punt. En een herexamen is toch ook maar een herexamen, een professor een mens, een diploma een papiertje. En dat ik een half uur op een ongemakkelijk stoeltje wacht. Dat ik verdwijn wanneer ik het antwoord niet weet, maar toch moet blijven zitten. Dat mijn professor me over de rand van zijn bril aankijkt. Dat hij fronst, en dat hij niet wil horen wat ik zeg. Dat hij een semester lang mag praten, en ik nog niet eens vijf minuten. Dat hij naar huis wil, en ik ook. Het is allemaal verzonnen, allemaal niet echt. Alleen maar kleine, zotte verhaaltjes, rollend en tollend in mijn hoofd. En dat is wat ik zeg: ‘het is misschien niet echt.’

‘O, het is wel echt hoor,’ zegt hij. Het is een lieve professor, zijn haar ligt in de war, hij vraagt me wat ik ga doen na het examen. Ik zeg dat ik ga ademen. Daar moet hij mee lachen. Ik bedoel het letterlijk. Zijn seminarie ging over symbolisme.

Mijn naam is Grieks voor viooltje, maar dat is natuurlijk niet echt. Ik ben geen echte bloem, je kan me niet plukken, ik knak niet echt. Symbolisme is voor Seminaries, en ik woon in België, een land waar niemand Grieks verstaat, en iedereen mijn naam schrijft zonder ‘h’, want die hoor je niet in het Vlaams. Een letter, verdwenen van zodra uitgesproken, bijna niet echt. Nochtans, zou je denken, is eerste letter die verdwijnt in ianthe, de ‘i’. Zoals in:

‘Net echt.’

(2019)

Column: De schrijfster aan het procrustesbed

De kunstenaar is de ultieme getuige van het leven.

‘Zei je iets?’ zegt mijn vriend, terwijl hij de lakens van ons bed haalt. Ik sta, als een echte getuige, naast ons bed.

‘Het lukt maar niet,’ zeg ik.

– ‘Help jij even met de kussens?’

‘Die ene scène lukt niet. Ik vind er de woorden niet voor – of nee, de woorden vinden mij niet!’ Ik krijg twee kussenslopen in mijn gezicht gegooid.

‘Soms vraag ik me af of het nog zin heeft.’ Ik zucht, en kijk naar de lege, stoffen omhulsels in mijn handen.

Mijn vriend komt naar me toe, ik open mijn armen voor een knuffel. Wanneer hij voor me staat, pakt hij de kussenslopen uit mijn handen en loopt terug naar het hoofdeinde, waar hij de kussens in hun vers gewassen hoezen propt. Ik achtervolg hem, en ga voort: ‘Maar misschien is dit de echte worsteling. De schrijfster verliest haar woorden, maar vindt zichzelf.’

Terwijl ik kijk hoe mijn vriend worstelt met de hoekjes van het onderlaken en de matras, voel ik me plots ongelofelijk nutteloos. Ons dekbed ligt intussen, in afwachting van zijn tweede stoffen huid, wit en naakt, op de grond.

Mijn blik blijft hangen op dat ene beeld – ons donsdeken. Nieuw, nog zonder speekselkringen of kleine vlekjes opgedroogd bloed. Nog niet ranzig, beslapen, eerder onschuldig, uitnodigend zelfs. Voor de komende vijf minuten, ontmanteld, en, dankzij die ene beweging van bed naar vloer, plots veranderd in merkwaardig tapijt. Mijn voeten jeuken om die realiteit alvast in te huldigen. Snel doe ik mijn sokken uit en zet mijn blote voeten voorzichtig op de roomijskleurige deken. Een heerlijke sensatie overvalt me. Ik spreid mijn tenen, krom ze terug, krijg kippenvel van de koele gladheid op de gevoelige huid tussen mijn tenen. De stof is zacht onder mijn voeten, en kraakt subliem. Wanneer ik mijn voet verzet, bolt de stof ergens anders op. Mijn voeten glijden zo van de ene hoek naar de andere, en maken een aangenaam zwiepend geluid. Ongelofelijk, wie had dat gedacht? Ons donsdeken, een verborgen godentapijt!

Ik glimlach naar mijn vriend, die aan de kant wacht met de overtrek in zijn handen. Geen zorgen, zegt mijn glimlach, er is nog hoop.

‘Mag ik dan nu…?’ vraagt hij.

Plots voel ik hoe mijn mondhoeken terug naar beneden krullen: ‘Maar hoe beschrijf ik dit in hemelsnaam? Wat is de literatuur rond donsdekens?’

Mijn vriend probeert alvast een hoekje van de deken te pakken te krijgen. Ik blijf staan, zink steeds dieper: ‘Hoe kan ik nu schrijven over het leven, als ik nog niet eens weet hoe te praten over… dit?’ Ik wijs bij gebrek aan woorden naar de ingepakte dons onder mijn voeten. Op dat moment trilt de smartphone van mijn vriend. Terwijl hij opneemt, doet hij teken naar het laken dat naast de deken op de grond ligt, en wijst dan naar mij.

Even voel ik me verward. Daar sta ik, in het midden van het donzen tapijt. Een vaag restje triestigheid, al kan ik niet zeggen waarom. Uiteindelijk besluit ik nog wat te zwiepen.

(2020)

Column: Twee meisjes

We praatten over kinderen die verkracht waren geweest. Esther, mijn vriendinnetje, tien jaar oud, en ik, toen negen. Zo liepen we hand in hand, tijdens een daguitstap van de scouts in de Ardennen. ‘Verkracht’ zeiden we op zachte toon, stiekem, want kinderen horen niet te praten over zulke dingen. We vertelden elkaar wat we al wisten, en we herhaalden het een paar keer: allemaal waren ze dood teruggevonden – in kelders, in tuinen, op zolders, in stukjes gesneden volgens Esther, volgens mij opgerold, zoals snoepveters in verpakking. Het verband tussen verkrachting en moord was voor mij niet duidelijk, het klonk gewoon niet logisch: kon je niet gewoon alléén maar iemand verkrachten? Waarom niet verkrachten, en dan weer verder met je leven, en zij met het hare? Waarom gingen al die meisjes dood?

De armen gehaakt in elkaar, liepen we achter de andere kinderen langs de Samber, en dachten diep na. Het moest wel zo zijn, concludeerde ik met enige trots over mijn vondst, dat je stierf van seks. Niet de ‘goede seks’ – die waar je het had voelen kriebelen in je buik, die waar kindjes van komen, die waar je eerst een paar nachten in je blootje slaapt, naast iemand die je heel graag ziet. Nee, het was de slechte seks. De seks waarbij je in een bosje of een busje werd geduwd door een vreemde man, die zo kwaad was dat hij je kleren scheurde. Als je op zo’n manier moest seksen, natúúrlijk was het dan niet leuk. Mijn vriendin en ik knikten, ja, dat begrepen we wel. Seks was gevaarlijk. Je ging dood als je het niet plezierig vond.

Maar het zat natuurlijk nog ingewikkelder in elkaar. Want wat dan, als je het een beetje leuk vond en bleef leven? Wat als de verkrachter kwaad werd, omdat je niet enthousiaster had gereageerd? Teleurgesteld, na alle moeite? Die meisjes die het al overleefden, konden we ons voorstellen, hadden waarschijnlijk al een vijs los. Zo’n meisje dat verkrachtingen leuk vond, was waarschijnlijk ook een kwaaie, eentje die niet graag kleedjes droeg en haar tong uitstak. We kenden er zo genoeg bij de scouts, meisjes met wilde haren die niet wisten wanneer ze hun mond moesten houden, die kregen er vaak nog het hardste van langs. Ja, we konden het ons zo voorstellen: Na de seks had zo’n meisje hem in het gezicht gespuwd, hem geschopt in zijn ballen, gegooid met modder en takjes. Stom, natuurlijk. Dan viel het niet te verbazen als je kop werd ingeslagen. Toch vonden we het erg, ook al waren ze gemeen en vies. Dan had je een verkrachting overleefd, en verpestte je het nog. Alsof je niet even kon doen alsof je het lekker vond, alsof je niet even vriendelijk kon blijven. Misschien vond hij je dan aardig, wou hij het nog eens met je doen, en liet hij je leven. Het was zo simpel! Een keurig meisje zou het kunnen, als ze maar niet doodging onderweg.

Mijn nieuwe inzichten brachten duidelijkheid, maar ook frustratie. Hoe, in godsnaam, kwam het, dat niemand die gedachten eerder had gehad? Ik schudde mijn hoofd. Volwassenen, ze waren zo ontzettend traag. Fluisterend vertrouwde ik mijn vriendinnetje toe: ‘Meisjes zoals wij moeten gewoon genieten van de seks. Da’s wel moeilijk, want het is natuurlijk heel erg vies.’ Maar soms moest je je koppigheid maar aan de kant zetten. Niet onnozel doen. Die vieze spruiten op zondag slikte je toch ook maar door. Mijn vriendinnetje knikte. Zij dacht er juist hetzelfde over. Wij zouden nooit zo stom zijn om te gillen en te slaan. Nee, wij zouden het perfecte verkrachtingsslachtoffer zijn, stil en gewillig, daar was geen twijfel aan.

(2020)

Column: Het Slecht

Met lange, wapperende jas en sneakers zonder sokken loop ik onze straat door. Verwar mijn wervelende verschijning niet met nonchalance. Integendeel, de waarheid is dat ik gejaagd ben, zoals een te lang opgesloten dier in quarantaine, met uitgedroogde poten, teveel ontsmet.

Ah, die buitenlucht, waar een mens nog diep kan inhaleren. Vergeet de frisse lucht, ik snak ernaar mijn longen te verschroeien. Ik was nooit een échte roker, trillend van de zenuwen voor de gesloten deuren van een trein in halve stilstand. Als ik rook, rook ik, en als ik niet rook, rook ik niet. Het zijn de woorden van Sartre, niet de mijne – vrij vertaald, weliswaar. Het is een slechte gewoonte, ongetwijfeld, aangevuld door zoveel andere – boter, suiker, ontkenningsgedrag, witte wijn op vrijdagavond.

Klunzig reken ik het pakje af in de enige winkel van de straat die nog open is, de dagshop. Normaal gezien een spijtige vlek van neonverlichting in het verder toeristvriendelijke straatbeeld – nu een eenzame vuurtoren. ‘Mint?’ vraagt de vriendelijke man me aan de kassa. We proberen afstand te houden, maar dat is in de kleine ruimte, tot de nok toe gevuld met alle mogelijke zonden van de wereld, moeilijk – ‘Ja, Mint,’ zeg ik, en ik gris het pakje van de net ontsmette toonbank. Alsof het al niet vernederend genoeg is.

Wanneer ik er buiten op het pleintje alvast één opsteek en kijk naar een hoop afvalzakken, bedenk ik me dat het roken me bovendien niet knapper maakt. Toch niet voor tien uur, zonder rode lippen. Juist wanneer ik de rook uitblaas, lopen twee jongens met hoodie, skateboard en mondmasker me in een grote boog voorbij. Ik kan er niet omheen. Als mid-twintiger met vaste job en bleke huid zie ik er alleen maar lachwekkend uit,  mijn ‘streetcredit’ totaal foutû. Zeven euro en een smetteloos sociale status, verspild aan een diep onnodig kwaad.

Ik neem nog een haal, steek mijn tong uit naar de zwerfhond op de hoek: Ik ben echt de enige niet. Ik heb er zelfs een woord voor: Het Slecht. Het Slecht is dat stukje mens dat ieder in zich heeft, groter of kleiner, luid of bedeesd, maar zonder uitzondering mismaakt. Denk maar niet dat je erboven staat – niemand ontsnapt eraan. Sommigen dragen het als een ereteken, zoals één van mijn vrienden. Overdag is hij heel aimabel, reciteert Russische schrijvers, leest braaf in zijn wetboek en praat alleen op licht sarcastische toon. ’s Nachts daarentegen, gaat hij het liefst nog dronken en schreeuwend op pad, grijpt hij jonge meisjes bij de haren, halsstarrig op zoek naar iemand die hem in elkaar kan slaan. Een vriendin van me heeft geniale hersenen en geweldig veel stijl. Met een knap Engels lief en collega’s die haar bewonderen, ligt het leven aan haar voeten. Voor haar is het sigaretje waar zij aan zuigt haar zelfbeeld, dat zo donker en wreed is dat het bijna terug interessant wordt – iets waar ze waarschijnlijk haar bestseller over zal schrijven, waardoor ze de volgende jaren terug vastzit. Of je met je vreemde verlangens nu anderen lastigvalt of niet, één ding is zeker: Het Slecht is altijd volkomen onnodig en ongewenst – maar hoe hard je ook poetst en schrobt, jezelf op dieet zet en die ene vriend mijdt – je bent besmet, besmet door je eigen viezigheid. Zelfs mijn grootmoeder, recent heilig verklaard, speelde vals bij patience.

Ik intussen, sta met mijn gehalveerde sigaret aan de vuilbak in de wind, en voel me misselijk. Ach, verdorie.

(2020)

Column: Over verdringen en vrijheid – de lagereschooljaren

Ooit wilde ik alles weten – zo kreeg ik misschien grip op wat me overkwam. Waarom juffrouw Frida in de derde kleuterklas kwaad op me was, bijvoorbeeld – iets wat me in die tijd erg verontrustte. Zeker gezien het feit dat juffrouw Frida een reusachtig vrouwmens was, die de kindertafels liet trillen bij elke stap, brulde zoals een monster van rozig vlees, met kleine, loerende kraalogen en harde krulspeldkrullen. Maar wanneer mijn moeder me geduldig uitlegde dat de juffrouw een slecht huwelijk had, niet sliep en daarbovenop darmklachten had, bracht deze kennis niet de verwachtte gemoedsrust mee. Vanaf nu maakte ik me zorgen voor twee: om de ontroostbare, afschrikwekkende juffrouw Frida, en om mezelf, die als weerloos projectiel onder haar verdriet, nog steeds elke dag in de hoek moest staan. Mijn kennis maakte me een ernstige kleuter, terneergedrukt door zorgen waar mijn klasgenoten, in al hun heilige onwetendheid, geen last van hadden.

In het eerste leerjaar was er leraar Sven, die erg kalm en ruimdenkend was, met sproeten op zijn neus. Vrolijk leerde hij ons het alfabet, met veel verhaaltjes en gelach. Maar mijn bubbel was definitief doorbroken: Kennis maakte niet gelukkig. Het beloofde een antwoord op mijn kinderlijk gijzelaarschap door volwassenen, oké. Gaf me misschien meer woorden in handen, akkoord. Maar uiteindelijk stond ik vroeg of laat toch terug in de hoek, met mijn gezicht tegen de muur. Nee, kennis was niet de weg naar vrijheid.

Levend naar mijn wijsheid, verdrong ik dat leraar Sven van tijd tot tijd ging smoren in het bos vlakbij onze school. Ik vergat dat mijn klasvriendinnetje wel erg veel praatte over seks en vond ik het grappig met mijn tippex de ‘T’ uit te wissen in de krant. Lachend wees ik naar het resultaat: ‘Kijk, WC-torens!’

Waar ik in het begin nog moeite moest doen om alle verwarrende signalen buiten te sluiten, ging het me na een tijd steeds beter af. Zo goed, dat ik uiteindelijk alles begon te verdringen: mijn verjaardagsfeestje in de zomer, de tot dan toe warme relatie met mijn teddybeer, mijn voorliefde voor wortelpuree met gehaktballetjes. Kortom: in het tweede leerjaar werd ik depressief.  Totaal onthecht leerde ik rekenen, telde getallen op en trok ze terug af. Het viel me op hoe parallel mijn rekensommen liepen met het leven: ook daar ontbrak alle oorsprong en inhoud, en ook daar leidde de uitkomst alleen maar tot meer van hetzelfde. Tenslotte stond ik doelloos op de speelplaats, weigerde ik de suikerwafel tijdens het vieruurtje, en lukte ook rekenen niet meer. Wat was het verschil tussen pakweg 8 en 6? Waren het niet allemaal slechts trieste samenraapsels van 1, een paar keer herhaald? Verloren, zonder enig gevoel voor richting, liep ik de zandbak van de kleuters in en viel in een put.  

In het derde leerjaar kreeg ik een vriendinnetje dat het niet erg vond dat ik triestig was. Ze had kort haar en dunne benen, en sprak heel snel, met moeilijke woorden. ‘Je hebt me beledigd,’ zei ze vaak, maar ik wist niet wat dat betekende. Met onze armen in elkaar gehaakt liepen we de speelplaats rond, en praatten we over de kinderen in de klas en de zin van het leven. Samen bouwden we aan een boomhut, discussieerden we over ons optreden met zelfgemaakte liedjes, en of we nu met of zonder slippers het podium op zouden gaan. In de wereld die we met ons twee creëerden, maakten we veel ruzie – waarschijnlijk nog het meeste over de regels, die elke dag konden veranderen, naargelang onze stemming of de inval van het moment. Soms mochten we ons alleen maar kleden in het blauw, een andere keer was het verboden om ons kampje in het bos te verlaten. Bowlen vonden we allebei stom, maar toen ik had gedaan of ik ziek was om de sportdag te vermijden, vond zij dat dat erover was. Ik begon steeds meer te lezen, om bij haar in een hoger leesgroepje te kunnen zijn. Zij, langs haar kant, was heel jaloers als er andere mensen bij ons groepje wouden komen, en onderwierp iedereen aan een strenge vriendinnenproef met modder, vieze papjes en gevaarlijke sprongen. Tussen ons twee hadden we een taaltje met eigen woorden, die we doorspekten met improvisaties, om het chiquer te doen klinken. Andere kinderen vonden ons raar, wij vonden het geweldig. De zin kwam letterlijk terug in mijn leven – en deze keer was het in mijn eigen taal.

Ik zou willen vertellen dat ik hierdoor het evenwicht gevonden had. Tussen verdringen en beheersen, tussen vrijheid en gevangenschap – ontstond vriendschap. Helaas eindigde mijn lagereschooltijd in een groot drama, waarbij onze ouders besloten mijn vriendin en mij te scheiden, omdat onze relatie te verstikkend werd.

(2020)

Column: Wie zoekt

Als vijftienjarige hoopte ik dat er op een dag een busje langs ons huis zou stoppen. Een gekleurde Volkswagen met een viertal figuren. Drie jongens – van wie minstens één met felblauwe ogen – en een meisje op blote voeten. Jonge mensen die dag per dag leefden en steeds onderweg waren. Hun vrienden waren oud-reizigers die hen hartelijk verwelkomden in excentrieke hutten, huizen of tenten. Hun huid was bruin van alle dagen lezen en leven in de zon, hun glimlach was breed en hun ogen spraken van nachtenlang praten over het leven aan knetterende kampvuren. Met hun busje geraakten ze overal, de volgende stop was Parijs.

Ik, ik hoefde niets meer dan die ene kans, dat ene moment dat ze zouden stoppen langs het huis van mijn ouders. Geen seconde zou ik twijfelen: zo in mijn uniform en zonder afscheid te nemen zou ik de auto inspringen, op weg naar een beter leven. Gedaan met de banaliteit! Verlost van mijn saaie familie! Adieu aan het ellendige leven achter de tralies van een Vlaamse middelbare school!

Helaas: Het busje kwam nooit. Puisterig, gezwollen en bleek maakte ik mijn middelbare school af, ging naar saaie feestjes, lachte zwakjes met de moppen van puistere, gezwollen jongens en liet me toen gedwee afvoeren naar de rechtenfaculteit. Mijn verlangen naar gelijkgestemde vrienden, ontnuchterde bij duidelijk gebrek daaraan, en veranderde in een verlangen naar een mentor, iemand – man of vrouw, felblauwe ogen of blote voeten, het maakte me op dat punt niet meer uit – die me zou kunnen inleiden in het volwassendom. De inhoudelijke vereisten mochten vrij worden ingevuld: ontdekker, filosoof, bourgondiër of rebel – zolang het maar iemand was die ‘het geheim’ had ontdekt, de ware liefde had gevonden, de passie was gevolgd. Iemand met affaires en uit de hand gelopen ruzies, memoires als spion ten tijde van de Koude Oorlog. Iemand die een huis had, zo groot als een tempel, gevuld met schatten van over de hele wereld, liefst nog verborgen achter een simpele rijhuisgevel. Ze bestonden, daar was ik zeker van, maar waar?

‘Wat jij zoekt, zoekt jou ook.’ Uit het feel good magazine van mijn moeder scheurde ik het citaat van Rumi, en plakte het met overtuiging op de deur van mijn kot. Voelden die geweldige mensen zich van tijd tot tijd ook niet eenzaam en onbegrepen, zochten zij naar een protegé, iemand om hun verhalen aan te vertellen? Stiekem fantaseerde ik hoe er op de wereld mensen rondliepen die werden uitgestuurd om mij te vinden. En dan op een dag ding dong: ‘Bent u ianthe Cooreman?’ zo voor mijn deur zouden staan. Intussen pelde de plakband van de deur.

Vandaag ben ik vijfentwintig. Sinds vier jaar ben ik samen met een man die gezegend is door zalige humor, lieve handen en een passie voor koken. Mijn vrienden zijn de meest interessante, grootmoedige, kleurrijke groep mensen die ik ken, en samen hebben we al nachten en uren volgepraat, met glazen wijn, in pyjama, onder de blote sterrenhemel – of gewoon gezellig op café. Omringd door de besten van mijn generatie – alleen het busje ontbreekt nog. Wat is er gebeurd?

De harde waarheid: mijn geduld was op een dag uitgeput, en ik ging zelf op zoek. Al snel besefte ik met een schok dat ik niet de enige was geweest, verloren wachtend op verlossing. Voor ik het wist, trok ik uit het ijskoude, grijze Vlaanderland verschillende drenkelingen naar boven, en voelde ik me verdacht veel zoals de reddingswerker van de Titanic, dobberend in mijn gele rubberboot met zaklamp. Steeds sneller wierp ik een blik op hun half bevroren gezicht, hun blote voeten, blauwe ogen – en haalde ik de klompjes mens uit de donkere zee: ‘Yep, dit is er één voor ons.’

Vandaag werk ik als head hunter, en hijs ik kandidaten in mijn sloep. De hoop dat iemand me zal vinden, is vervangen door de zekerheid: er is toch tenminste iemand die zoekt.

(2020)

Column: De zin en onzin van canon, of waarom we schrijven

Waarom schrijf jij ? 

Dwaal je in geheime kamers, zit je in de grauwzone, alleen op zoek naar zin? Jonkvrouw, postbode – vrouw met brede heupen, man die werk vond? Sneed je je dochter in stukken, at je de piemel van een maagd? Smelt het of zeg je, ‘O, ik weet het niet’?

Ik weet wat je geheim is en ik zal het je vertellen. Op een dag zag je het leven en wou je meedoen. Je vond het allemaal prachtig, zomer, winter, rijm op ramen: hoe de ijzige kou een slang was die beet naar je hielpezen of naar je neerhangende handen om zich daaraan op te trekken. Je hart was zacht en je handen waren kleine knuistjes die zich openden. Maar je hield er niet van om dingen kapot te maken. Niet zoals de andere kinderen, met hun wilde voetballersvoeten en hun harde poppenmoedermoraal. Als je bij een glas limonade voorzichtig de dag in vraag probeerde te stellen, wou praten over dat kiezelsteentje in je schoen, fronsten ze naar je terug, een brokje koek in de hoek van hun vranke mond. Misschien is het daar gebeurd, heb je je toen zoals een aangestrande schipbreukeling in boeken verscholen alsof ze warme huizen waren – mausolea voor de wilden, voor jou een thuis, zo groot als de magische tent in Harry Potter. Maar nu, jaren later, schrijf je, en het warme huis bleek een burcht waarvan de eeuwenoude muren je rieten hutjes kortverhalen en schuchtere tentjes beginnersromans even dwingend overschaduwen als de trauma’s waar je als kind ook al niet aan kon ontsnappen. Je leven herhaalt zich, een canon als het ware.

‘Jij niet, jij wel. Jij niet. Jij niet. Jij niet.’ als bedelaars schuiven we aan bij allerhande schrijfwedstrijden. Het paradijs van vroeger is een exclusief resort geworden, en er is maar plaats voor één gast. De geesten van het verleden nemen suites in waar niemand anders in mag slapen. Buiten kruipen de borelingen in de modder, zo dicht mogelijk bij de grond, om geen kruimel inspiratie te missen. Vrienden blijven voorlopig, te bedreigend, te banaal. De parels van een ander doen je alleen maar denken aan je eigen lege broekzak. Was ik maar vijftig jaar eerder geboren. Vlak na de oorlog, boem, paukenslag, toen alles nog tot de verbeelding sprak. Had ik maar een groter verdriet om over te schrijven. Was mijn moeder maar Arnon Grunberg.

En plots sta je daar, met een brandende toorts in je hand, op een gure avond in het gangpad van de lokale bibliotheek. Waarom de jobstudent je heeft binnengelaten weet je niet, maar het was een fout want als je wegwandelt ben je The Joker en ontploft het hele gebouw. De wereld ontmaskert zichzelf als licht ontvlambaar: elke kast met boeken, een brandend bastion van censuur, te groot om af te breken, te bekrompen om in te passen, te wit en te Claus. Je hijgt en op je gezicht zitten vegen. Nu flakkeren ook je eigen teksten op: je zelfverering ruikt naar rubber, de pretentie druipt eruit zoals sissend vet. De wereld smeekt om dappere boodschappers, helden in kwetsbaarheid, woorden die fluisteren, schreeuwen, trillen: ‘Nee!’ Weg met het verleden, ratelslang met open bek!

Maar dan, onderaan de metershoge stapel op elkaar gesmeten boeken, gerukt uit huizen en uit armen, je betoog een razzia, zie je het ei van oom Trotter. Vergeeld en gebroken, reeds half verkoold. Een traan prikt in je oog. De gemene moppen, die schop die je kreeg onder de zetel bij verstoppertje. Met de rook schurend in je keel besef je: Ik was niet voor op mijn tijd, ik was achter.

Dit is wat ik je toewens, lezer, schrijver, lichaam, tijd. Herhaling zoals een polsslag. Stemmen die je tegemoetkomen als een pompend hart, wanneer de eenzaamheid je weer wegrukt van de wereld. Geen hoge woorden, alleen bereikbaar voor bewoners van ivoren torens, maar verhalen waarin je kan ontwaken, zoals de ochtend van een mooie dag. Om later op de avond in terug te keren, en met plezier in de Verwondering te beseffen dat het geen toeval was – dat de held de slechterik was, het begin het einde, dat alles naar elkaar verwees, en uiteindelijk ook naar jou. Het verhaal dat je meedroeg, heeft op je gewacht, en laat zich zoals zijn eigen canon lezen.

Laat dit jouw geschenk zijn, je eigen herhaling te schrijven. Elk gebrek, een opening. Elke stolling, een zin. Elk woord, met in zijn hart het antwoord, dit is waarom ik lees.

(2020)

Column: Meanderend

‘Persoonlijk denk ik dat je een aanwinst kan zijn, want je schrijft alvast vlot. Je recensie zelf voelde nogal meanderend aan, waardoor ik niet echt kan achterhalen wat je er nu juist van vond.’

Niettemin: als ik wou, mocht ik meedoen. Zo insinueerde de e-mail van het online magazine waar ik me als vrijwilliger voor had aangemeld. Hij, ‘persoonlijk,’ was de verantwoordelijke boekrecensies. Van de hoofdredacteur die in ‘cc’ stond, hoorde ik niets meer. Toen ik e-mailde of ik één van hen zou kunnen bereiken via de telefoon, viel alle contact weg. Corona misschien.

In de afwezigheid van een antwoord, bleven de woorden van de enigmatische e-mail sluimeren.

‘Persoonlijk denk ik dat je een aanwinst kan zijn,’

‘Persoonlijk,’ – alsof er achter die letters een diplomatisch persoon met zwaar verleden zat, iemand die had geleerd dat e-mails afgedrukt kunnen worden, gebruikt in rechtszalen of op redactievergaderingen, en nee, een smiley maakte niet alles goed.

‘Persoonlijk,’ als delicaat sausje van de dag, om af te wisselen met ‘misschien,’ ‘eventueel,’ of ‘spijtig’.

‘Persoonlijk,’ het schaamdoekje voor een mogelijks veel grotere discussie, met verschillende hoofden die driftig ‘nee’ schudden: ‘Spreek voor jezelf!’

En dan dat andere woord: ‘meanderend’. Wat een prachtig woord, zoals een kleine waterval op mijn tong: me-an-de-rend. Onverstaanbaar hoe ik het ooit had kunnen vergeten.

Nu ja, wie of wat is er vandaag nog ‘meanderend’ te noemen?

Ik dus! Of als afgeleide, mijn recensie. Enerzijds was het natuurlijk spijtig: hij had duidelijk niet begrepen wat ik wou vertellen: een genuanceerd verhaal over een boek met verschillende lagen. Spijtig ook, omdat dat nu juist het enige opzet was: begrepen te worden. Begrepen, niet beoordeeld – door die paar mensen die mijn recensie zouden lezen. Maar misschien had hij me hierin wél begrepen, want ‘meanderend’ voelde zo verrassend vertrouwd! Ik bén meanderend. Hij zag het duidelijk niet als een compliment, en suggereerde dat meer duidelijkheid mocht: vond ik het nu goed, of vond ik het nu slecht?

Hij bracht het zo vriendelijk en bedachtzaam: ‘Uiteraard wens ik niemand iets op te leggen, maar het mag soms wat zakelijker, zodat een buitenstaander ook een beter begrip heeft van het boek, en niet louter van wat jij er – persoonlijk – van vindt.’

Vonden ze mij nu goed, of vonden ze mij nu slecht?

Plots werd ‘meanderend’ een beschrijving die overal wel gepast leek.

Ik besloot een column te schrijven, persoonlijk, gewijd aan het woord. Kabbelend, zonder precieze bron, zonder zeker einde, zonder ook maar de garantie dat iemand behalve de schrijver het zou snappen, of het überhaupt zou lezen.

(2020)

Column: La Vida Loca

In de zomer dat ik acht herexamens rechten en een nog volledig te schrijven thesis filosofie voor me had, besloot ik op alles ja te zeggen: ja tegen twaalf dagen met mijn ouders naar Noorwegen, ja tegen een onderbetaalde studentenjob in een hysterisch restaurant, ja tegen een slecht geplande verhuis midden in augustus, ja tegen een week met de vrienden van mijn nieuw lief op reis naar Italië. Ja tegen alles, zolang ik maar niet hoefde nadenken over hoe ik het ging doen (studeren, een diploma halen, ademen in het algemeen).

Het was twee dagen rijden om het huisje zonder zwembad te bereiken. Ik had juist mijn rijbewijs gehaald, maar nog nooit echt gereden. Yolan was er vol vertrouwen van uitgegaan dat wij onder ons tweetjes de duizend kilometer wel afwisselend zouden doen, aangezien de twee vrienden die meeliftten milieubewust waren en geen rijbewijs hadden.

Zo vertrokken we. Nu eens op Duitse snelwegen waar je door de werken maar een richeltje had tussen de betonblokken, dan weer op Italiaanse snelwegen, waar je werd voorgestoken langs rechts. En vaak genoeg op smalle kronkelweggetjes, met de zee en het landschap dat langzaam kleiner werd, de handrem permanent in zweterige hand, en wij steeds steviger tegen de zetels gedrukt, hoe verder we bergop reden. De hele twee dagen op de heenweg volgde de ene gruwelijke scène na de andere zich op in mijn geest: ‘Nu gaan we eraan,’ dacht ik, wanneer twee vrachtwagens onze oude renault tegelijkertijd wouden voorbijsteken aan honderddertig per uur. ‘Als ik het maar niet overleef’: Beelden van de ontroostbaar wenende moeder van Yolan op de begrafenis. Ik, op de getuigenstand in de rechtzaal, aangeklaagd door de ouders van de twee anderen. Ondertussen, mijn handen geklemd om het stuur, mijn ogen op de weg – de weg waar we straks, na twee salto’s en mijn laatste doodsgil, uiteengereten zouden liggen, verpletterd door de twintig auto’s die we zouden meeslepen in onze val. De vrachtwagen langs links trok op, zo ook de vrachtwagen langs rechts. Hun pinkers knipperden steeds agressiever. Yolan, zalige ziel, was in slaap gevallen. Zijn laatste momenten zouden tenminste vredig zijn. Een blitse fransman met cabrio zat in mijn gat. Hier was ik niet voor opgeleid.

Ik voelde hoe mijn lichaam verkrampte. Hoe vaak had ik me zo niet gevoeld tijdens mijn examens? Geknipper, gestammel, black out. Het was zo gemakkelijk om het stuur los te laten, mijn ogen dicht te doen, te wachten tot het over was. De vrachtwagens sloten ons bijna in.

‘Fuck it.’ Plots klikte er iets in mij. Sweet dreams kwam op de radio en werd luider gedraaid. Mijn flipflop drukte op de gas, we schoten onverschrokken voorbij aan honderdvijftig, lieten alle gefrustreerde mannen in marcel achter ons en stoken in onze vlucht een tesla voorbij. Cruisend reed ik door vierrijstrokenwegen, scheurde langs scherpe bochten, vloog over dode dieren op de weg. Mijn passagiers bleek en stil, maar ongedeerd. Ik besefte dat ik de ergste scenario’s kon bedenken in mijn hoofd. Dat ze voor mijn ogen zouden blijven flitsen. En dat ik ondertussen het stuur zou blijven vasthouden, zonder te knipperen zou manouvreren tussen de blinkende viermaalsviers, vrachtwagens en toeristenbussen, met de bravoure van een kever tussen een horde zwijnen. Mijn ogen gefixeerd, niet op het ravijn naast ons, maar op de weg voor ons. Ik was dan wel gebuisd voor alles, gefaald in het leven, slechts door de gratie van een halvegare in Asse bekwaam genoeg verklaard op de weg. Maar dat wist die Nederlander met aanhangwagen niet.

In september was ik erdoor voor al mijn examens, mijn thesis haalde ik met grootste onderscheiding. Ik was geradbraakt na de vakantie, maar dat is een detail. De mooiste herinneringen, plakkerig achter het stuur, met alle ramen open en dezelfde CD op repeat. Ik vraag me af hoe ik het deze keer ga doen.

(2019)