Interview: Kunst, Een Kruimeltje Van Het Sublieme – Ellen Marie, kunstenares.

Interviewreeks: Op Zoek Naar Benjamin

Deze reeks, een verzameling van gesprekken, gevoerd met kunstenaars, vond plaats in het kader van mijn roman in wording. Het begon als onderzoek naar één van mijn hoofdpersonages, Benjamin, een jonge tekenaar/schilder. Al snel oversteeg het dit doel, en groeiden de gesprekken uit tot een schrijfproject over het vinden van een stem. Hierbij ga ik samen met mijn gesprekspartner op zoek naar de persoon achter het doek, en stellen we de vraag naar kunstzinnige identiteit, zingeving, uitdagingen en inspiratie. Zo zoeken we naar de stem van de kunstenaar, en door het vertellen van die zoektocht, naar mijn eigen stem, als schrijver.

‘Elk schilderij dat je maakt als kunstenaar, is een kruimeltje dat je achterlaat. Zoals Hans en Grietje, dwalend in het bos, zoek je naar het sublieme, al weet je niet wat dat is, waar dat is. Maar elk kunstwerk is een deel van het pad, een hint. Het is dat wat je achterlaat om later terug te vinden, datgene wat is achtergebleven van de plekken die je onderweg hebt bezocht, innerlijk.’

– Ellen Marie Moysons, kunstenares.

Ellen Marie Moysons – Los Amantes [Oil on linen]

Toen Ellen Marie (25) veertien was, werd ze voor het eerst geraakt door de kracht van beeldende kunst. Vandaag maakt ze zelf naam als kunstenares, gaf ze reeds twee exposities en maakt haar reeks Echo’s deel uit van een groepstentoonstelling in New York. Haar werk kan omschreven worden als dynamisch, expressief, vol leven. Centraal staat de mens, die steeds verwikkeld lijkt – in een beweging, een emotie, of in anderen. Realiteit en mens smelten zo samen met een dansende wereld aan kleuren en verbeelding. Zelf leidt Ellen, na een periode in het buitenland te hebben gewoond als lesgever aan de Barcelona Academy of Art, en na verschillende exposities, tegenwoordig een teruggetrokken leven in Antwerpen. Zelf zegt ze daarover: ‘Ik kom uit een intense periode – een tijd waar de nadruk vooral lag op het eindresultaat, het nakomen van beloftes en engagementen. Dat was waardevol, maar nu voel ik dat het tijd is om die verwachtingen van de buitenwereld los te laten, en terug naar de kern te gaan.’

Ellen Marie Moysons – The Battle [Oil on Linen]

Ik ontmoet Ellen Marie voor het eerst in een stralende bundel van licht, die haar losse, krullende haren omrandt. ‘Je vindt het toch niet erg als ik buiten zit tijdens ons gesprek? De zon schijnt zo zalig,’ vraagt ze me, vanop het kleine scherm van mijn smartphone. Bijna is de jonge kunstenares zelf een levend schilderij, maar dan beweegt het beeld mee met haar stappen, wanneer ze begint te wandelen door het bos aan het Noordkasteel. Wanneer haar smartphone in het midden van de wandeling en ons gesprek bijna uitvalt, besluiten we om batterij te sparen, voort te praten zonder video of beeld, en is het alleen nog haar stem die me meeneemt. 

Wanneer ik haar vraag of ze zichzelf heeft voorbereid op ons interview, zegt ze van niet. Al snel blijkt dat dit een bewuste keuze was.

Ellen Marie: ‘Spontaneïteit, het bewust niet voorbereiden van dingen, is een houding die ik niet alleen in mijn kunst probeer te bewaren, maar ook in mijn leven. Voorbereiding zit dan niet in het op voorhand invullen van dingen, maar in het bewust aanwezig zijn, in het openstaan voor het onverwachte, je met al je technische kennis en ervaring opnieuw kwetsbaar durven opstellen. Want soms komt het niet, zit je vast, en zit er niets anders op dan wachten, aanwezig blijven in die leegte. Die kwetsbaarheid niet schuwen, maar juist verwelkomen, is een oefening die zich verder uitstrekt dan het doek waarop ik schilder. Het lijkt misschien gemakzuchtig ’s ochtends niet te beginnen met een planning, maar in plaats daarvan tegen jezelf te zeggen: “waar heb ik vandaag zin in? Wat dient er zich aan?” Het klinkt romantisch, maar je zou verrast zijn over hoe weinig mensen dat echt elke dag zouden willen. Het vergt moed en vertrouwen om los te laten.’

Is het romantisch?

(Lacht.) Soms voel ik me zoals een kind in het paradijs. Maar er zijn ook andere dagen dat ik rondkijk in mijn atelier, naar al die onafgewerkte projecten, mist en chaos in mijn hoofd, dat ik mezelf afvraag: In godsnaam, wat is het nut van wat ik hier doe? Ik snap waarom veel kunstenaars beginnen drinken – in de uren dat je alleen en in stilte werkt, komt jezelf regelmatig tegen. Vaak ben ik aan het schetsen of schilderen, en hoor ik mijn gedachten zoals babbelende stemmetjes op de achtergrond: blablablablabla – een eindeloze stroom van commentaar, herhalingen van scènes in mijn hoofd, oude emoties die in alle hevigheid opflakkeren. Het is een ruis van mezelf. Als kunstenaar is het een uitdaging waar je vroeg of laat mee geconfronteerd wordt, en ofwel groei je, ofwel ga je eraan onderdoor. Het lukt niet altijd. Er zijn dagen dat ik merk dat ik hier niet wil zijn. Dan zeg ik tegen mezelf: Laten we gaan wandelen.

Ellen Marie Moysons – Triptich I [Oil and Charcoal on cardboard]

Het is bekend dat je je als kind liet inspireren door de Belgische kunstenares Tilley. Hoe gebeurde dat? Wat sprak je zo aan in haar kunst?

Kaat Tilley was een vriendin van mijn ouders, die toen vooral bekend stond als modeontwerpster. Elk jaar organiseerde ze een groot evenement waar ze haar kleren voorstelde. Op zo’n modeshow was ik als twaalfjarige model. De hele ervaring was voor mij een waar spektakel: de show vond plaats in de zomer, op een gigantisch domein met een vijver, bossen en eindeloos dwalende paadjes. Verspreid over de tuin stonden kleine huisjes, waarin ze haar schetsen en schilderwerken tentoonstelde. Met fijne lijnen creëerde ze een hele wereld vanuit haar verbeelding. Het waren dunne vrouwenfiguurtjes, heel elegant, melancholisch en lichtjes tragisch. Het vrouwelijke erin, de schoonheid ervan, maar ook het kwetsbare, blijven me tot op de dag van vandaag fascineren. Haar figuurtjes, vastgelegd op dun papier, leken zich bewust van het feit dat hun leven tijdelijk was. Dat was zo sterk, en tegelijkertijd zo breekbaar. Ik besefte toen dat het geen tegenstellingen waren die ze samen had gebracht, nee, het waren de twee kanten van dezelfde essentie: het ene kon nooit bestaan zonder het andere.

Welke ervaring vormde jou op vlak van schilderen, waar leerde je het vak?

Hoewel ik altijd heb geschilderd en getekend, was ik lang zoekende naar een plek die me toeliet op technisch vlak te groeien. Zo kwam ik na een aantal jaren reizen en zoeken, uit op de Barcelona Academy of Art. Het was een atypische school, want in tegenstelling tot de meer ‘moderne’ en vrije lesvormen in het kunstonderwijs, wordt hier alleen onderwezen in de klassieke teken- en schildertechnieken. Hun aanpak is heel strak en technisch.

Ellen Marie Moysons – Phocion [pencil on paper]

De routine was simpel maar streng, acht uur per dag waren we aan het schilderen, en dan niet een creatieve interpretatie van onze eigen verbeelding, maar minutieuze studies van meesterwerken. In de voormiddag waren het voornamelijk technische oefeningen, met tekeningen waar we gemakkelijk twee à drie weken aan bezig waren. In de namiddag schetsten we levende modellen. Terwijl je werkte, kwam de leraar individueel bij iedereen langs voor een ‘critique’. Het was intensief, maar ook vervullend. Eindelijk kreeg ik de taal voor mijn kunst. Ik leerde er schilderen als ambacht. Na mijn studies heb ik er nog twee jaar lesgegeven, voor ik terug naar België ging.

Je werken lijken nadrukkelijk vol leven en kleuren. Met ‘Echo I, II en III’ zie ik iets van het melancholische. Is dat bewust? Hoe maak je de keuze voor je onderwerpen?

Ellen Marie Moysons – Echo I [Oil on linen]

De keuze van wat ik maak gaat me vooraf – het is niet iets dat ik bewust in handen heb, eerder een aaneenschakeling van indrukken en toevalligheden. Maar er zit ook een verantwoordelijkheid in. Soms dient zich iets aan, en beslis je: dit ga ik niet delen met de wereld. Mijn allereerste schilderij na mijn afstuderen, was geïnspireerd door een jongen die ik had zien lopen op straat. Hij had iets van een magiër, donker, mysterieus, hij deed me denken aan Raspoetin. Toen het half afgewerkte doek een tijd later in mijn kamer stond, kwam mijn huisgenote, eveneens een schilder, op een dag binnen. Ze schrok, keek me aan en zei: ‘Ellen, wat je nu aan het manifesteren bent is heel duister.’ Na dat moment draaide ik het met zijn gezicht naar de muur, en daar heeft het lange tijd gestaan. Tot ik het op een dag herontdekte, en plots wist wat ik ermee moest doen. Ik maakte het in één keer af, en voelde me er niet meer slecht over. Nu nog steeds, kan ik niet zeggen dat ik het helemaal begrijp. Het enige dat ik met zekerheid kan zeggen, is dat het niet in de lijn van mijn artistieke dimensie ligt om donkerte te delen.Nadrukkelijkepolitiek in kunst interesseert me niet zo, maar het is volgens mij wel belangrijk dat je jezelf bewust bent van wat je de wereld in stuurt. Wie ben je, als mens en als kunstenaar, na het maken van zo’n donker of gruwelijk schilderij? Voor mij is het simpel: Maak gewoon eerlijke dingen.

Ellen Marie Moysons – Echo II [Oil on linen]

Hoe zijn de drie schilderijen voor Echo’s gegroeid?

Een tijdje geleden zag ik een schilderij van Christopher Pugliese, waarop hij een verstrengeling van naakte vrouwenlichamen weergaf. Dat beeld resoneerde. Maandenlang ben ik op zoek gegaan naar hoe ik ook zoiets kon maken op mijn manier. Zo is het drieluik organisch gegroeid. Eerst was het een in elkaar puzzelen van lichamen, het nadenken over hoe mijn figuren reageerden op elkaars bewegingen – vergelijkbaar met dat zoeken naar evenwicht tijdens een dans. In die lijnen zocht ik de menselijke vormen, zoals de ruggengraat, waaruit de ribbenkast groeide, en vervolgens de heup, de armen, de benen… Het is vaak omgekeerd werken, waarbij ik pas achteraf begrijp wat ik heb gezegd met mijn werk. Bij het nadenken over de inleidende tekst bij deze reeks, was ik bijvoorbeeld aan het luisteren naar een spirituele talk van Gangaji op youtube. Plots kwam daar naar voren ‘a distant voice of home calling, an echo of that spiritual loss.’ Het ging over Adam en Eva in de tuin van Eden, die verloren ronddwaalden op de aarde, nadat God het besef had weggenomen van wie ze oorspronkelijk waren en waar ze vandaan kwamen. Dat samen verloren zijn, die gedeelde eenzaamheid, is zo treffend voor de menselijke conditie. Je voelt de tristesse, de heimwee, de afstand die zich al begint te nestelen tussen hen. Echo’s. Het klopte, die zin maakte het af.

In wat je me vertelt over je kunst en je levensvisie, met een nadruk op vertrouwen, loslaten van angst en ego, maar ook die gedachte van bewustzijn – lijkt wel een oosterse spiritualiteit of ethiek door te klinken.

Toen ik negentien was ben ik een maand naar een boeddhistisch klooster getrokken. In de stilte van die plek, zijn mijn ogen opengegaan. Na die ervaring ben ik leerlinge geworden van de leer van Advaita vedanta (nvdr. spirituele stroming binnen de Indische filosofie).Wat me aantrok was dat de leer niet vastzit in dogma’s, het is geen religie. De meditatieve of spirituele oefening wordt niet verbonden aan rituelen of afgebakende momenten, maar er wordt uitgegaan van een levenshouding, een zoeken naar de vele gezichten van waarheid: Honderd vingers kunnen naar de maan wijzen van op de aarde, maar er is uiteindelijk maar één maan.

De leer heeft mijn leven sterk beïnvloedt. Plots leer je je emoties herkennen zoals het weer dat verandert. Je kan triestig zijn omdat het regent, maar het regent niet fundamenteel binnenin jou, het blijft een bui, iets dat komt en gaat. Dat besef, dat je nog zo hard mag worden meegesleurd door wat je overkomt, vanbinnen of vanbuiten – je ware essentie lijdt er niet onder, dat is de ware oefening.

Ellen Marie Moysons – Nebula [Oil on linen]

Over Benjamin: Hij schildert in een koude kamer, en vergeet ook gemakkelijk een trui aan te doen terwijl hij aan het schilderen is. Hij huurt een atelier in het midden van de stad, terwijl hij toch heel introvert is. Hij wil een kind naakt schilderen, omdat hij het kind in zichzelf kwijt is. Begrijp jij deze tegenstellingen? Wat denk jij dat er in Benjamin omgaat?

Je verhaal doet me denken aan The Portrait Of Dorian Grey (nvdr. boek van Oscar Wilde). Er zit een wild, duister soort magie rond dat schilderij. Ook Benjamin wil voorbij tijd en ruimte gaan, iets terughalen dat hij verloren is. Zijn jongere zelf terug tot leven wekken, door het portretteren van een ander kind, bijna zoals necromantie. Alsof je door iemand te schilderen, ook iets levend conserveert. Maar het omgekeerde is ook waar: Benjamin heeft iets zelfdestructiefs. De koude, en misschien ook de pijn, helpen hem om geconcentreerd te blijven tijdens het schilderen. Alsof die dingen hem alert houden. Het is niet omdat hij introvert is, dat de wereld hem niet raakt. Als kunstenaar ben je altijd gefascineerd door de wereld rondom je, ook al wil je er niet middenin staan. Ik kan me voorstellen dat hij ’s avonds graag ronddoolt, in zijn eentje in het donker, als de stad al slaapt.

Klopt dat beeld van verliefde kunstenaar en muze, of is het een romantisch cliché? En hoe spelen seks en naaktheid daar volgens jou een rol in?

De verliefdheid van een kunstenaar voor zijn model is heel herkenbaar. Het is misschien geen verliefdheid zoals je verliefd wordt op iemand met wie je een relatie wil, maar het heeft er zeker alle symptomen van weg: je bent nerveus in hun bijzijn, of wanneer ze er juist niet zijn. Innerlijk ben je shaken up, je kan alleen maar denken aan die persoon, wanneer ze in een ruimte zijn blijf je hen aanstaren, je vingers jeuken om een penseel of potlood vast te nemen, en hen vast te leggen op je doek. Maar je bent ook bang om te intens over te komen, je wil hen niet wegduwen. De schoonheid die iemand in zich draagt kan verslavend zijn. Die schoonheid zit niet altijd in uiterlijke kenmerken, maar gaat, voor mij toch, vaker nog over een innerlijk dat je uiterlijk wil vatten. Ooit had ik een fascinatie voor een jonge vrouw. Haar zelfvertrouwen was bijzonder, het zat in alles: hoe ze zich draaide, in haar blik, in de manier waarop ze haar lichaam hield. Tegelijkertijd zag ze er ontzettend kwetsbaar uit.

Ellen Marie Moysons – [Acrylic and ink on paper]

Die uren tijdens het schilderen kunnen heel intiem zijn. Ik geloof dat er altijd wel wat erotiek sluimert tijdens zo’n sessie, zeker als je denkt aan twee personen die zich los van die context al aangetrokken voelden tot elkaar. Zelfs als je model voor je staat in winterjas, is er toch een naaktheid, omdat de ander zich blootgeeft. Zo bekeken, kan het misschien soms eerlijker, meer puur aanvoelen om iemand naakt te portretteren. Dat er na zo’n sessie ook daadwerkelijk seks volgt, is niet zo vergezocht. Je hebt die spanning urenlang samen ervaren, je zit zo dicht bij die kwetsbaarheid – seks kan een manier zijn om dat verlangen volledig te vervullen.

Meer weten over Ellen Marie ? Geïnteresseerd in een samenwerking?

Alle schilderijen, tekeningen & meer zijn te vinden op: http://ellenmarie.eu/

Interview: Een Oefening In Aandacht – Tijs Adams, tekenaar.

Interviewreeks: Op Zoek Naar Benjamin

Deze reeks, een verzameling van gesprekken, gevoerd met kunstenaars, vond plaats in het kader van mijn roman in wording. Het begon als onderzoek naar één van mijn hoofdpersonages, Benjamin, een jonge tekenaar/schilder. Al snel oversteeg het dit doel, en groeiden de gesprekken uit tot een schrijfproject over het vinden van een stem. Hierbij ga ik samen met mijn gesprekspartner op zoek naar de persoon achter het doek, en stellen we de vraag naar kunstzinnige identiteit, zingeving, uitdagingen en inspiratie. Zo zoeken we naar de stem van de kunstenaar, en door het vertellen van die zoektocht, naar mijn eigen stem, als schrijver.

‘Jarenlang alleen in de woestijn, werd Sint-Antonius overvallen door demonen en monsters. Maar zijn ergste kwelling was niet de angst. Nee, het was een morele strijd, een mentale strijd. Waar het om ging, was de verleiding. Te weerstaan aan wat hem naar beneden trok, het vasthouden aan wat hem riep: die focus op het zuivere.’

– Tijs Adams, tekenaar.

Ik ontmoet Tijs vanuit mijn woonkamer in Brussel, aan zijn keukentafel in Berlijn. We lachen elkaar toe op onze schermen. Waar we vorig jaar nog de zomer samen doorbrachten aan het doorleefde ikeatafeltje in de tuin, dansend, pratend en schrijvend aan onze thesis, en hij me in een winkelkarretje door Leuven reed op de nacht van ons afstuderen, is het nu weer bijna vier maanden geleden dat hij vertrok naar Berlijn. ‘Waarom?’ had ik gevraagd. ‘Daarom. Ik moet weg uit België. Hier voel ik me rusteloos,’ had hij geantwoord.

Op dit moment werkt hij aan verschillende pentekeningen, tekent figuren voor een computerspel en schoolt zichzelf bij door middel van technische oefeningen, die hij op het internet en in tekenboeken vindt. Eén van de overkoepelende projecten, te vinden op zijn site, heet ‘the tempation(s) of st. Anthony’, en toont een reeks van kleine, veelkleurige figuurtjes. Fossielen, lijkt het wel, die je vanuit allerlei vreemde ogen aanstaren.

Tijs Adams – The Tempations of St. Anthony

Tijs: Dat verhaal, verleiding in al haar vormen, is een terugkerend onderwerp voor mij. In het leven vandaag zijn er zoveel afleidingen, met het internet en gsm’s, eindeloze stromen van content – maar ook seks, eten, alcohol, drugs, het zijn thema’s van alle tijden. Voor mij persoonlijk, is het overkomen van verleiding, essentieel in wat ik doe.

Hoe merk je dat concreet?

Nu ben ik bijvoorbeeld bezig met een studie van rechte lijnen. Ja, na al die jaren tekenen, leer ik nu pas rechte lijnen te trekken (lacht). Weinig mensen kunnen het, er zit zoveel méér achter dan wat je ziet op papier. Of het nu gaat over welke spieren te spannen in je arm, of je vanuit de pols tekent of vanuit je onderarm of schouder, hoeveel druk je zet op je potlood of pen, waar je blik te richten: als je aandacht verslapt bij een detail – en dat kan zo banaal zijn als één lijn – dan zie je dat gegarandeerd achteraf. Zo ben ik gemakkelijk uren, nee, dagen bezig aan één tekening. De verleiding is groot om op te geven. Wanneer ik begin, hangt die vraag altijd boven mijn project: Kan ik dit afwerken, hou ik dit vol? Als ik aan het tekenen ben, ben ik die vragen, die verleidingen, aan het overwinnen. Door focus en discipline herover ik dat beeld in mijn hoofd, en met elk geconcentreerd moment bewijs ik aan mezelf dat ik het kan. Hoe beter mijn concentratie, hoe mooier het resultaat. De tekening is de overwinning op zichzelf.

Tijs Adams – tekening zonder naam.

Wat is de rol van tekenen tot nu toe geweest in jouw leven? Had het altijd al iets te maken met focus, met aandacht?

Als de tweede van drie zoons, was ik het dramagevalletje: ik was heel emotioneel, opvliegend ook. En hoewel we als gezin de wereld rondreisden voor het werk van mijn vader, bleven we aan tafel dat traditionele Vlaamse gezin, met Vlaamse tradities. Hoe mensen nu over gevoelens praten bijvoorbeeld, dat bestond bij ons niet. Mijn vader verschilde in niets van de typische Vlaamse man die altijd op zijn werk was, met mijn moeder, de huisvrouw, die volgde. Zo ben ik opgegroeid, in Pakistan, Roemenië, Parijs, Amsterdam en Brussel, tot ik zelf ben vertrokken naar Nieuw-Zeeland. Ik had het er moeilijk mee. Ik herinner me dat ik als kind vaak alleen was, videospelletjes speelde op mijn kamer. Altijd opnieuw ergens aankomen, in een andere school, een andere omgeving, het was vermoeiend. Veel mensen denken dat ik door al dat verhuizen goed ben in het maken van vrienden, maar dat is helemaal niet zo. Ik ben introvert, het duurt bij mij nog steeds lang eer vriendschappen groeien. Daarnaast konden de tegenstellingen niet groter zijn tussen mijn vrienden uit India, Amerika en Frankrijk, en mijn familie, of de kinderen van vrienden van mijn ouders, uit Lede. Op familiefeesten liep ik altijd een beetje verloren. Ik twijfelde aan alles, stelde mezelf en mijn gezin vaak in vraag: Is de manier waarop wij de dingen doen normaal? En wie was ik?

Tijs Adams – tekening uit de reeks ‘Black and White’

Ik was niet ‘de sportjongen’, of ‘de kunstenaar’ – ik had in alles wel een zekere interesse, maar tegelijkertijd was er niets dat me écht trok. Ik heb bijvoorbeeld nooit tekenlessen gevolgd. Droedelen was iets dat ik deed in de les, en als ik bij vrienden was, tekende ik strips of karikaturen van mensen, of dingen uit mijn hoofd. Leerkrachten zeiden dat ik moest opletten, maar ik vond dat dat niet stoorde. Het tekenen hielp mij juist om me te concentreren, om ergens te zijn waar ik niet altijd wou zijn. Ook nu nog, teken ik vaak als ik aan het luisteren ben. Praten gaat gemakkelijker als ik ondertussen iets kan krabbelen. Misschien omdat ik, door mezelf af te leiden met tekenen, een aantal defense mechanisms laat vallen, eerlijker kan zijn. Als ik me echt focus op een gesprek, dan denk ik teveel na over dingen, weeg ik elk antwoord af en zit ik vast in vragen over wat mensen verwachten van mij. Dat is eigen aan wie ik ben, ik analyseer alles, ben ontzettend kritisch voor mezelf. Dat maakt me onzeker, en weerhoudt me ervan om echt spontaan te zijn. Die tekening geeft me houvast, het is een rustpunt tussen mij en de ander.

Is tekenen voor jou dan alleen een middel tot concentratie, tot houvast?

Lang was het voldoende om vrijblijvend te tekenen. Een jaar en half geleden is dat veranderd. Ik besloot toen een punt te zetten achter mijn relatie. Ik hield ontzettend veel van mijn vriendin, maar ze was depressief. Ik kon daar toen niet mee om. Maar ik kon ook niet meer voort met de persoon die ik tot dan toe was geweest. In die periode ben ik naar mezelf gaan kijken met een andere blik. De situatie overweldigde me, en ik zocht naar een manier om grip te krijgen op wat me overkwam. In die tijd tekende ik veel, en zat ik intussen van alles te denken. Terwijl ik tekende kon ik adem nemen en rustig nadenken, nam ik afstand van wat er was gebeurd. Mijn tekeningen kanaliseerden mijn energie. Maar vanaf toen had ik ook een duidelijk beeld voor ogen: ik wou mijn vriendin tekenen zoals ik haar had gekend, een prachtig persoon, schoonheid in haar puurste vorm. Keer op keer deed ik pogingen, maar steeds ontglipte ze me terug. Anderen vertelden me hoe goed ik kon tekenen, maar het gleed van me af. Ik wist dat ik haar niet kon vastleggen op papier, dat mijn tekeningen maar flauwe afkooksels waren. Ik besefte dat, als ik die essentie op papier wou krijgen, ik mezelf moest verdiepen in de technische regels van kunst, in het begrijpen van verhoudingen, van schaduw en van diepte. Op dat moment is tekenen voor mij méér geworden dan een uitlaatklep – het werd een zoektocht naar essentie.

Hoe zie jij dat, zoeken naar essentie? Spreek je dan over perfectie?

Integendeel. Onbewust hebben we ideeën over hoe de dingen eruit zien. Bij Leonardo Da Vinci en Michelangelo vind je dat verlangen terug naar die perfecte mens. Het zijn meesterlijke studies, ideaal om de regels van verhoudingen te leren kennen. Maar eens je die perfectie kent, begin je te zien hoe dingen ervan afwijken, en besef je plots: niemand is perfect. Mensen hebben vreemde lichamen, heel eigen gezichten – en toch herkennen we daarin de mens, sterker nog: die afwijkingen maken de mens interessanter. Die afwijkingen vind je niet in leerboeken, maar zijn eigen aan elke mens, verweven met een persoonlijke geschiedenis, karakter.

Tijs Adams – Tekening uit de reeks ‘Black and White’

Sinds kort heb ik daarom iets met dikke mensen. Dat is niet slecht of goed bedoeld, het gaat voor mij puur over een fascinatie voor het visuele: In de anatomie leer ik op dit moment over de klassieke verhoudingen, maar bij een persoon met obesitas veranderen die. Het lichaam zwelt op, lijnen en welvingen veranderen. Ik kan dan op de metro zitten terwijl ik zo’n persoon zie, en me afvragen: ‘Ongelofelijk dat dit kan, maar hoe zit het met de ruggengraat? Hoe kan ik dat lichaam begrijpen, wat is hier de puzzel, de geschiedenis?’ Als je zoveel verschillende mensen ziet, begin je te beseffen dat wat ons verbindt geen simpel idee is, niet zomaar een optelsom van regels en verhoudingen, maar dat het bijna iets ongrijpbaars is. Wanneer houdt een mens op een mens te zijn?

Een kunstenaar die me op dit moment inspireert is Egon Schiele. Als je kijkt naar zijn werk, en zeker naar zijn tekeningen en schetsen, zie je vooral ruwe lijnen. Dat lijkt misschien simpel, of getekend in een opwelling, maar achter die beelden zitten jaren aan ervaring. De lijnen zijn vloeiend, ze vatten perfect de figuur die ze beschrijven, niet meer, niet minder. Er zit geen enkele twijfel in die schetsen, je ziet dat ze bijna in één keer zijn gemaakt. Maar tegelijkertijd zie je ook hoe hij over alles heeft nagedacht, hoe elk detail een essentieel detail is, en al de rest is weggehaald. Zijn tekeningen zijn strikt genomen niet realistisch, zoals je dat van de perfecte man bij Da Vinci zou kunnen zeggen, maar hij slaagt erin voorbij de visuele realiteit te gaan, en ons op een ander niveau dezelfde vrouw te laten zien – met al haar afwijkingen, in al haar eigenheid. Zo toont hij dat in essentie, afwijking en realiteit kunnen samenvloeien, in het kunstwerk dat een eigen blik werpt op de werkelijkheid.

Tijs Adams – tekening uit de reeks ‘Black and White’

Wat is de rol van aandacht in zo’n eigen blik op de werkelijkheid?

Geduld en focus zijn de eerste voorwaarden voor die blik. Je ziet dat belang het beste terug bij beginnelingen en amateurs: Je bent ongeduldig, je werkt gehaast. Je neemt geen tijd om echt na te denken over wat je aan het doen bent. Je wil bijvoorbeeld een tafel tekenen, en in je hoofd heb je daar al een heel beeld bij: een blad, vier poten, bruine kleur. Maar als je met aandacht kijkt naar de tafel, zie je dat niets van dat beeld klopt, en dat er een miljoen details zijn aan die tafel, kleine scheurtjes, andere kleuren, patronen. Op dat punt ben je overweldigd door die beelden, je weet niet meer waar te beginnen, waarop te focussen en wat weg te laten. In deze tekening bijvoorbeeld, (hij toont me een eigen tekening van een man met een baard, nvdr.)

Tijs Adams – Man met baard.

Zie je in de baard dat mijn lijnen verward zijn? De lijnen zijn er lukraak gezet, zonder respect voor hoe zo’n haartjes groeien, gekromd zijn, samenkomen in één geheel. Er is niet goed nagedacht over die baard, en wat die haartjes daarin betekenen. Doorheen de tijd leer je om aandachtig te kijken, de technieken aan te wenden om beelden weer te geven en die details te interpreteren. Op dat moment van aandacht begint de échte kunst, wanneer je in die selectie van details een essentie kunt halen, en er op die manier niet alleen de realiteit weergeeft, maar er ook je eigen blik in legt.

Over Benjamin: kan je het verlangen begrijpen om een kind van tien naakt te tekenen?

Ik begrijp dat je iemand naakt zou willen tekenen. De directe blik die je hebt op een lichaam, zonder kleren, is ontzettend fascinerend. Ik ben een paar keer naar zo’n live nude drawings gegaan. In het begin vraag je jezelf af of daar erotische spanning in zou zitten, in het tekenen van een naakt vrouwenlichaam. Maar de waarheid is dat je op dat moment kijkt met een technische blik, puur gericht op de verhoudingen, de schaduwen, de lijnen. Ik zou graag een aantal van mijn vrienden en vriendinnen naakt tekenen, maar da’s toch nog een stap voor mij. Het blijft toch iets heel intiems, je kleren afleggen voor iemand. Bij sommige vriendinnen komt daar ook het element bij van seksuele spanning. Maar een meisje van tien, naakt tekenen, nee, daar zou ik mezelf niet comfortabel bij voelen. Die consent is voor mij belangrijk, en bij een kind van tien is de vraag nog maar of er sprake kan zijn van échte instemming. Daarnaast vraag ik me af in hoeverre het lichaam van een kind van tien interessant is. Het is nog vrijwel perfect, bijna geheel inwisselbaar. Een meisje van tien heeft nagenoeg hetzelfde lichaam als een jongen van tien. Als je me vertelt dat hij haar wil tekenen omdat hij zichzelf als kind in haar herkent, vraag ik me ook af: waarom tekent hij dan haar, en geen jongen van tien?

Meer weten over Tijs? Geïnteresseerd in een samenwerking?

Alle tekeningen & meer zijn te vinden op: https://tijsadams.com/

Column: De schrijfster aan het procrustesbed

De kunstenaar is de ultieme getuige van het leven.

‘Zei je iets?’ zegt mijn vriend, terwijl hij de lakens van ons bed haalt. Ik sta, als een echte getuige, naast ons bed.

‘Het lukt maar niet,’ zeg ik.

– ‘Help jij even met de kussens?’

‘Die ene scène lukt niet. Ik vind er de woorden niet voor – of nee, de woorden vinden mij niet!’ Ik krijg twee kussenslopen in mijn gezicht gegooid.

‘Soms vraag ik me af of het nog zin heeft.’ Ik zucht, en kijk naar de lege, stoffen omhulsels in mijn handen.

Mijn vriend komt naar me toe, ik open mijn armen voor een knuffel. Wanneer hij voor me staat, pakt hij de kussenslopen uit mijn handen en loopt terug naar het hoofdeinde, waar hij de kussens in hun vers gewassen hoezen propt. Ik achtervolg hem, en ga voort: ‘Maar misschien is dit de echte worsteling. De schrijfster verliest haar woorden, maar vindt zichzelf.’

Terwijl ik kijk hoe mijn vriend worstelt met de hoekjes van het onderlaken en de matras, voel ik me plots ongelofelijk nutteloos. Ons dekbed ligt intussen, in afwachting van zijn tweede stoffen huid, wit en naakt, op de grond.

Mijn blik blijft hangen op dat ene beeld – ons donsdeken. Nieuw, nog zonder speekselkringen of kleine vlekjes opgedroogd bloed. Nog niet ranzig, beslapen, eerder onschuldig, uitnodigend zelfs. Voor de komende vijf minuten, ontmanteld, en, dankzij die ene beweging van bed naar vloer, plots veranderd in merkwaardig tapijt. Mijn voeten jeuken om die realiteit alvast in te huldigen. Snel doe ik mijn sokken uit en zet mijn blote voeten voorzichtig op de roomijskleurige deken. Een heerlijke sensatie overvalt me. Ik spreid mijn tenen, krom ze terug, krijg kippenvel van de koele gladheid op de gevoelige huid tussen mijn tenen. De stof is zacht onder mijn voeten, en kraakt subliem. Wanneer ik mijn voet verzet, bolt de stof ergens anders op. Mijn voeten glijden zo van de ene hoek naar de andere, en maken een aangenaam zwiepend geluid. Ongelofelijk, wie had dat gedacht? Ons donsdeken, een verborgen godentapijt!

Ik glimlach naar mijn vriend, die aan de kant wacht met de overtrek in zijn handen. Geen zorgen, zegt mijn glimlach, er is nog hoop.

‘Mag ik dan nu…?’ vraagt hij.

Plots voel ik hoe mijn mondhoeken terug naar beneden krullen: ‘Maar hoe beschrijf ik dit in hemelsnaam? Wat is de literatuur rond donsdekens?’

Mijn vriend probeert alvast een hoekje van de deken te pakken te krijgen. Ik blijf staan, zink steeds dieper: ‘Hoe kan ik nu schrijven over het leven, als ik nog niet eens weet hoe te praten over… dit?’ Ik wijs bij gebrek aan woorden naar de ingepakte dons onder mijn voeten. Op dat moment trilt de smartphone van mijn vriend. Terwijl hij opneemt, doet hij teken naar het laken dat naast de deken op de grond ligt, en wijst dan naar mij.

Even voel ik me verward. Daar sta ik, in het midden van het donzen tapijt. Een vaag restje triestigheid, al kan ik niet zeggen waarom. Uiteindelijk besluit ik nog wat te zwiepen.

(2020)

Column: Twee meisjes

We praatten over kinderen die verkracht waren geweest. Esther, mijn vriendinnetje, tien jaar oud, en ik, toen negen. Zo liepen we hand in hand, tijdens een daguitstap van de scouts in de Ardennen. ‘Verkracht’ zeiden we op zachte toon, stiekem, want kinderen horen niet te praten over zulke dingen. We vertelden elkaar wat we al wisten, en we herhaalden het een paar keer: allemaal waren ze dood teruggevonden – in kelders, in tuinen, op zolders, in stukjes gesneden volgens Esther, volgens mij opgerold, zoals snoepveters in verpakking. Het verband tussen verkrachting en moord was voor mij niet duidelijk, het klonk gewoon niet logisch: kon je niet gewoon alléén maar iemand verkrachten? Waarom niet verkrachten, en dan weer verder met je leven, en zij met het hare? Waarom gingen al die meisjes dood?

De armen gehaakt in elkaar, liepen we achter de andere kinderen langs de Samber, en dachten diep na. Het moest wel zo zijn, concludeerde ik met enige trots over mijn vondst, dat je stierf van seks. Niet de ‘goede seks’ – die waar je het had voelen kriebelen in je buik, die waar kindjes van komen, die waar je eerst een paar nachten in je blootje slaapt, naast iemand die je heel graag ziet. Nee, het was de slechte seks. De seks waarbij je in een bosje of een busje werd geduwd door een vreemde man, die zo kwaad was dat hij je kleren scheurde. Als je op zo’n manier moest seksen, natúúrlijk was het dan niet leuk. Mijn vriendin en ik knikten, ja, dat begrepen we wel. Seks was gevaarlijk. Je ging dood als je het niet plezierig vond.

Maar het zat natuurlijk nog ingewikkelder in elkaar. Want wat dan, als je het een beetje leuk vond en bleef leven? Wat als de verkrachter kwaad werd, omdat je niet enthousiaster had gereageerd? Teleurgesteld, na alle moeite? Die meisjes die het al overleefden, konden we ons voorstellen, hadden waarschijnlijk al een vijs los. Zo’n meisje dat verkrachtingen leuk vond, was waarschijnlijk ook een kwaaie, eentje die niet graag kleedjes droeg en haar tong uitstak. We kenden er zo genoeg bij de scouts, meisjes met wilde haren die niet wisten wanneer ze hun mond moesten houden, die kregen er vaak nog het hardste van langs. Ja, we konden het ons zo voorstellen: Na de seks had zo’n meisje hem in het gezicht gespuwd, hem geschopt in zijn ballen, gegooid met modder en takjes. Stom, natuurlijk. Dan viel het niet te verbazen als je kop werd ingeslagen. Toch vonden we het erg, ook al waren ze gemeen en vies. Dan had je een verkrachting overleefd, en verpestte je het nog. Alsof je niet even kon doen alsof je het lekker vond, alsof je niet even vriendelijk kon blijven. Misschien vond hij je dan aardig, wou hij het nog eens met je doen, en liet hij je leven. Het was zo simpel! Een keurig meisje zou het kunnen, als ze maar niet doodging onderweg.

Mijn nieuwe inzichten brachten duidelijkheid, maar ook frustratie. Hoe, in godsnaam, kwam het, dat niemand die gedachten eerder had gehad? Ik schudde mijn hoofd. Volwassenen, ze waren zo ontzettend traag. Fluisterend vertrouwde ik mijn vriendinnetje toe: ‘Meisjes zoals wij moeten gewoon genieten van de seks. Da’s wel moeilijk, want het is natuurlijk heel erg vies.’ Maar soms moest je je koppigheid maar aan de kant zetten. Niet onnozel doen. Die vieze spruiten op zondag slikte je toch ook maar door. Mijn vriendinnetje knikte. Zij dacht er juist hetzelfde over. Wij zouden nooit zo stom zijn om te gillen en te slaan. Nee, wij zouden het perfecte verkrachtingsslachtoffer zijn, stil en gewillig, daar was geen twijfel aan.

(2020)

Kortverhaal: Een uit de hand gelopen spel

‘Dit spel heeft als doel jullie bewust te maken van de keuzes die jullie gemaakt hebben.’

De Vijftiger kijkt de tafel rond. Een enkeling die net niet oplette, fluistert nog een halve zin tegen een ander. Een houten kruk kraakt. Vanavond zijn het alleen maar grote namen, iedereen aan deze tafel heeft zichzelf al overtroffen – op papier. Op papier waren ze interessant, en dus zijn ze uitgenodigd, om vanavond ook interessant te zijn. Iemand kucht.

De Vijftiger zegt: ‘jullie hebben allemaal een pseudoniem gekozen. Leg je keuze uit aan de groep.’

Eén voor één hernoemen ze zichzelf. Lolita wordt Vladimir. Dorian in de hoek wordt Oscar. Woutertje kiest voor ‘Max’. Iemand denkt: Ik ken jullie al, wat doet een ander woord ertoe? Zij gebruikt als pseudoniem haar eigen naam.

‘Je neemt het te serieus,’ zegt een doorgaans opgewonden vriend. ‘Het is maar een spel.’ Hij kiest voor ‘Friedrich’ en doet nog een suikertje in zijn koffie.

Even dreigen de gemoederen te verhitten wanneer Manfred op het idee komt zichzelf ‘Lord Byron’ te ridderen. ‘Het is toch maar fictie!’ sputtert hij tegen.

– ‘Zo gemakkelijk was het om te wisselen van naam,’ onderbreekt de Vijftiger, en hij knipt met zijn bevlekte inktvingers. ‘Zijn al jullie boeken vóór dit moment nu wees? Of bevrijd, door de dood van hun auteur?’

‘Zijn het nog steeds onze verhalen?’

– ‘Heel juist, Roland. Zijn het nog jullie verhalen?’

‘Ja natuurlijk, wij hebben ze geschreven,’ zegt Arnon.

‘Zegt de vrouw die al drie keer verwisseld is van naam!’ De tafel begint te rumoeren.

‘Zolang de waarheid maar verteld wordt, maakt het mij niet uit welke naam onder mijn schrijfsels staat,’ zegt Anne.

‘Dan zet ik mijn naam eronder,’ zegt Adolf.

De avond wordt een bloedbad – ook de Vijftiger sterft.

(2020)

Flarde: De vrouw die verdween

In die streek, en zeker in de zomer, ging de zon opmerkelijk snel onder: van een statig diepblauw draaiden de kleuren van de hemel zich, als geraakt door onhoorbare muziek. Met verbazingwekkende snelheid liepen ze over in pirouettes van tinten geel, oranje, rood. De natte rijst, glinsterend in het licht van een tot dan toe felle middagzon, elke dag geserveerd in de eetzaal van het oude klooster om klokslag vijf, dampte nog, wanneer de hoge ramen zwart werden, en de duisternis het landschap opat. Alsof de tijd rond zonsondergang met een windeltje versneld werd, en je het gevoel had ofwel te verdwijnen in die beweging, ofwel gewaar werd dat de nacht je in een golf van kleur en licht, recht in de ogen keek.

Het was op zo’n avond dat ze verdween.

(2020)

Column: Het Slecht

Met lange, wapperende jas en sneakers zonder sokken loop ik onze straat door. Verwar mijn wervelende verschijning niet met nonchalance. Integendeel, de waarheid is dat ik gejaagd ben, zoals een te lang opgesloten dier in quarantaine, met uitgedroogde poten, teveel ontsmet.

Ah, die buitenlucht, waar een mens nog diep kan inhaleren. Vergeet de frisse lucht, ik snak ernaar mijn longen te verschroeien. Ik was nooit een échte roker, trillend van de zenuwen voor de gesloten deuren van een trein in halve stilstand. Als ik rook, rook ik, en als ik niet rook, rook ik niet. Het zijn de woorden van Sartre, niet de mijne – vrij vertaald, weliswaar. Het is een slechte gewoonte, ongetwijfeld, aangevuld door zoveel andere – boter, suiker, ontkenningsgedrag, witte wijn op vrijdagavond.

Klunzig reken ik het pakje af in de enige winkel van de straat die nog open is, de dagshop. Normaal gezien een spijtige vlek van neonverlichting in het verder toeristvriendelijke straatbeeld – nu een eenzame vuurtoren. ‘Mint?’ vraagt de vriendelijke man me aan de kassa. We proberen afstand te houden, maar dat is in de kleine ruimte, tot de nok toe gevuld met alle mogelijke zonden van de wereld, moeilijk – ‘Ja, Mint,’ zeg ik, en ik gris het pakje van de net ontsmette toonbank. Alsof het al niet vernederend genoeg is.

Wanneer ik er buiten op het pleintje alvast één opsteek en kijk naar een hoop afvalzakken, bedenk ik me dat het roken me bovendien niet knapper maakt. Toch niet voor tien uur, zonder rode lippen. Juist wanneer ik de rook uitblaas, lopen twee jongens met hoodie, skateboard en mondmasker me in een grote boog voorbij. Ik kan er niet omheen. Als mid-twintiger met vaste job en bleke huid zie ik er alleen maar lachwekkend uit,  mijn ‘streetcredit’ totaal foutû. Zeven euro en een smetteloos sociale status, verspild aan een diep onnodig kwaad.

Ik neem nog een haal, steek mijn tong uit naar de zwerfhond op de hoek: Ik ben echt de enige niet. Ik heb er zelfs een woord voor: Het Slecht. Het Slecht is dat stukje mens dat ieder in zich heeft, groter of kleiner, luid of bedeesd, maar zonder uitzondering mismaakt. Denk maar niet dat je erboven staat – niemand ontsnapt eraan. Sommigen dragen het als een ereteken, zoals één van mijn vrienden. Overdag is hij heel aimabel, reciteert Russische schrijvers, leest braaf in zijn wetboek en praat alleen op licht sarcastische toon. ’s Nachts daarentegen, gaat hij het liefst nog dronken en schreeuwend op pad, grijpt hij jonge meisjes bij de haren, halsstarrig op zoek naar iemand die hem in elkaar kan slaan. Een vriendin van me heeft geniale hersenen en geweldig veel stijl. Met een knap Engels lief en collega’s die haar bewonderen, ligt het leven aan haar voeten. Voor haar is het sigaretje waar zij aan zuigt haar zelfbeeld, dat zo donker en wreed is dat het bijna terug interessant wordt – iets waar ze waarschijnlijk haar bestseller over zal schrijven, waardoor ze de volgende jaren terug vastzit. Of je met je vreemde verlangens nu anderen lastigvalt of niet, één ding is zeker: Het Slecht is altijd volkomen onnodig en ongewenst – maar hoe hard je ook poetst en schrobt, jezelf op dieet zet en die ene vriend mijdt – je bent besmet, besmet door je eigen viezigheid. Zelfs mijn grootmoeder, recent heilig verklaard, speelde vals bij patience.

Ik intussen, sta met mijn gehalveerde sigaret aan de vuilbak in de wind, en voel me misselijk. Ach, verdorie.

(2020)

Column: Over verdringen en vrijheid – de lagereschooljaren

Ooit wilde ik alles weten – zo kreeg ik misschien grip op wat me overkwam. Waarom juffrouw Frida in de derde kleuterklas kwaad op me was, bijvoorbeeld – iets wat me in die tijd erg verontrustte. Zeker gezien het feit dat juffrouw Frida een reusachtig vrouwmens was, die de kindertafels liet trillen bij elke stap, brulde zoals een monster van rozig vlees, met kleine, loerende kraalogen en harde krulspeldkrullen. Maar wanneer mijn moeder me geduldig uitlegde dat de juffrouw een slecht huwelijk had, niet sliep en daarbovenop darmklachten had, bracht deze kennis niet de verwachtte gemoedsrust mee. Vanaf nu maakte ik me zorgen voor twee: om de ontroostbare, afschrikwekkende juffrouw Frida, en om mezelf, die als weerloos projectiel onder haar verdriet, nog steeds elke dag in de hoek moest staan. Mijn kennis maakte me een ernstige kleuter, terneergedrukt door zorgen waar mijn klasgenoten, in al hun heilige onwetendheid, geen last van hadden.

In het eerste leerjaar was er leraar Sven, die erg kalm en ruimdenkend was, met sproeten op zijn neus. Vrolijk leerde hij ons het alfabet, met veel verhaaltjes en gelach. Maar mijn bubbel was definitief doorbroken: Kennis maakte niet gelukkig. Het beloofde een antwoord op mijn kinderlijk gijzelaarschap door volwassenen, oké. Gaf me misschien meer woorden in handen, akkoord. Maar uiteindelijk stond ik vroeg of laat toch terug in de hoek, met mijn gezicht tegen de muur. Nee, kennis was niet de weg naar vrijheid.

Levend naar mijn wijsheid, verdrong ik dat leraar Sven van tijd tot tijd ging smoren in het bos vlakbij onze school. Ik vergat dat mijn klasvriendinnetje wel erg veel praatte over seks en vond ik het grappig met mijn tippex de ‘T’ uit te wissen in de krant. Lachend wees ik naar het resultaat: ‘Kijk, WC-torens!’

Waar ik in het begin nog moeite moest doen om alle verwarrende signalen buiten te sluiten, ging het me na een tijd steeds beter af. Zo goed, dat ik uiteindelijk alles begon te verdringen: mijn verjaardagsfeestje in de zomer, de tot dan toe warme relatie met mijn teddybeer, mijn voorliefde voor wortelpuree met gehaktballetjes. Kortom: in het tweede leerjaar werd ik depressief.  Totaal onthecht leerde ik rekenen, telde getallen op en trok ze terug af. Het viel me op hoe parallel mijn rekensommen liepen met het leven: ook daar ontbrak alle oorsprong en inhoud, en ook daar leidde de uitkomst alleen maar tot meer van hetzelfde. Tenslotte stond ik doelloos op de speelplaats, weigerde ik de suikerwafel tijdens het vieruurtje, en lukte ook rekenen niet meer. Wat was het verschil tussen pakweg 8 en 6? Waren het niet allemaal slechts trieste samenraapsels van 1, een paar keer herhaald? Verloren, zonder enig gevoel voor richting, liep ik de zandbak van de kleuters in en viel in een put.  

In het derde leerjaar kreeg ik een vriendinnetje dat het niet erg vond dat ik triestig was. Ze had kort haar en dunne benen, en sprak heel snel, met moeilijke woorden. ‘Je hebt me beledigd,’ zei ze vaak, maar ik wist niet wat dat betekende. Met onze armen in elkaar gehaakt liepen we de speelplaats rond, en praatten we over de kinderen in de klas en de zin van het leven. Samen bouwden we aan een boomhut, discussieerden we over ons optreden met zelfgemaakte liedjes, en of we nu met of zonder slippers het podium op zouden gaan. In de wereld die we met ons twee creëerden, maakten we veel ruzie – waarschijnlijk nog het meeste over de regels, die elke dag konden veranderen, naargelang onze stemming of de inval van het moment. Soms mochten we ons alleen maar kleden in het blauw, een andere keer was het verboden om ons kampje in het bos te verlaten. Bowlen vonden we allebei stom, maar toen ik had gedaan of ik ziek was om de sportdag te vermijden, vond zij dat dat erover was. Ik begon steeds meer te lezen, om bij haar in een hoger leesgroepje te kunnen zijn. Zij, langs haar kant, was heel jaloers als er andere mensen bij ons groepje wouden komen, en onderwierp iedereen aan een strenge vriendinnenproef met modder, vieze papjes en gevaarlijke sprongen. Tussen ons twee hadden we een taaltje met eigen woorden, die we doorspekten met improvisaties, om het chiquer te doen klinken. Andere kinderen vonden ons raar, wij vonden het geweldig. De zin kwam letterlijk terug in mijn leven – en deze keer was het in mijn eigen taal.

Ik zou willen vertellen dat ik hierdoor het evenwicht gevonden had. Tussen verdringen en beheersen, tussen vrijheid en gevangenschap – ontstond vriendschap. Helaas eindigde mijn lagereschooltijd in een groot drama, waarbij onze ouders besloten mijn vriendin en mij te scheiden, omdat onze relatie te verstikkend werd.

(2020)

Column: Wie zoekt

Als vijftienjarige hoopte ik dat er op een dag een busje langs ons huis zou stoppen. Een gekleurde Volkswagen met een viertal figuren. Drie jongens – van wie minstens één met felblauwe ogen – en een meisje op blote voeten. Jonge mensen die dag per dag leefden en steeds onderweg waren. Hun vrienden waren oud-reizigers die hen hartelijk verwelkomden in excentrieke hutten, huizen of tenten. Hun huid was bruin van alle dagen lezen en leven in de zon, hun glimlach was breed en hun ogen spraken van nachtenlang praten over het leven aan knetterende kampvuren. Met hun busje geraakten ze overal, de volgende stop was Parijs.

Ik, ik hoefde niets meer dan die ene kans, dat ene moment dat ze zouden stoppen langs het huis van mijn ouders. Geen seconde zou ik twijfelen: zo in mijn uniform en zonder afscheid te nemen zou ik de auto inspringen, op weg naar een beter leven. Gedaan met de banaliteit! Verlost van mijn saaie familie! Adieu aan het ellendige leven achter de tralies van een Vlaamse middelbare school!

Helaas: Het busje kwam nooit. Puisterig, gezwollen en bleek maakte ik mijn middelbare school af, ging naar saaie feestjes, lachte zwakjes met de moppen van puistere, gezwollen jongens en liet me toen gedwee afvoeren naar de rechtenfaculteit. Mijn verlangen naar gelijkgestemde vrienden, ontnuchterde bij duidelijk gebrek daaraan, en veranderde in een verlangen naar een mentor, iemand – man of vrouw, felblauwe ogen of blote voeten, het maakte me op dat punt niet meer uit – die me zou kunnen inleiden in het volwassendom. De inhoudelijke vereisten mochten vrij worden ingevuld: ontdekker, filosoof, bourgondiër of rebel – zolang het maar iemand was die ‘het geheim’ had ontdekt, de ware liefde had gevonden, de passie was gevolgd. Iemand met affaires en uit de hand gelopen ruzies, memoires als spion ten tijde van de Koude Oorlog. Iemand die een huis had, zo groot als een tempel, gevuld met schatten van over de hele wereld, liefst nog verborgen achter een simpele rijhuisgevel. Ze bestonden, daar was ik zeker van, maar waar?

‘Wat jij zoekt, zoekt jou ook.’ Uit het feel good magazine van mijn moeder scheurde ik het citaat van Rumi, en plakte het met overtuiging op de deur van mijn kot. Voelden die geweldige mensen zich van tijd tot tijd ook niet eenzaam en onbegrepen, zochten zij naar een protegé, iemand om hun verhalen aan te vertellen? Stiekem fantaseerde ik hoe er op de wereld mensen rondliepen die werden uitgestuurd om mij te vinden. En dan op een dag ding dong: ‘Bent u ianthe Cooreman?’ zo voor mijn deur zouden staan. Intussen pelde de plakband van de deur.

Vandaag ben ik vijfentwintig. Sinds vier jaar ben ik samen met een man die gezegend is door zalige humor, lieve handen en een passie voor koken. Mijn vrienden zijn de meest interessante, grootmoedige, kleurrijke groep mensen die ik ken, en samen hebben we al nachten en uren volgepraat, met glazen wijn, in pyjama, onder de blote sterrenhemel – of gewoon gezellig op café. Omringd door de besten van mijn generatie – alleen het busje ontbreekt nog. Wat is er gebeurd?

De harde waarheid: mijn geduld was op een dag uitgeput, en ik ging zelf op zoek. Al snel besefte ik met een schok dat ik niet de enige was geweest, verloren wachtend op verlossing. Voor ik het wist, trok ik uit het ijskoude, grijze Vlaanderland verschillende drenkelingen naar boven, en voelde ik me verdacht veel zoals de reddingswerker van de Titanic, dobberend in mijn gele rubberboot met zaklamp. Steeds sneller wierp ik een blik op hun half bevroren gezicht, hun blote voeten, blauwe ogen – en haalde ik de klompjes mens uit de donkere zee: ‘Yep, dit is er één voor ons.’

Vandaag werk ik als head hunter, en hijs ik kandidaten in mijn sloep. De hoop dat iemand me zal vinden, is vervangen door de zekerheid: er is toch tenminste iemand die zoekt.

(2020)

Column: De zin en onzin van canon, of waarom we schrijven

Waarom schrijf jij ? 

Dwaal je in geheime kamers, zit je in de grauwzone, alleen op zoek naar zin? Jonkvrouw, postbode – vrouw met brede heupen, man die werk vond? Sneed je je dochter in stukken, at je de piemel van een maagd? Smelt het of zeg je, ‘O, ik weet het niet’?

Ik weet wat je geheim is en ik zal het je vertellen. Op een dag zag je het leven en wou je meedoen. Je vond het allemaal prachtig, zomer, winter, rijm op ramen: hoe de ijzige kou een slang was die beet naar je hielpezen of naar je neerhangende handen om zich daaraan op te trekken. Je hart was zacht en je handen waren kleine knuistjes die zich openden. Maar je hield er niet van om dingen kapot te maken. Niet zoals de andere kinderen, met hun wilde voetballersvoeten en hun harde poppenmoedermoraal. Als je bij een glas limonade voorzichtig de dag in vraag probeerde te stellen, wou praten over dat kiezelsteentje in je schoen, fronsten ze naar je terug, een brokje koek in de hoek van hun vranke mond. Misschien is het daar gebeurd, heb je je toen zoals een aangestrande schipbreukeling in boeken verscholen alsof ze warme huizen waren – mausolea voor de wilden, voor jou een thuis, zo groot als de magische tent in Harry Potter. Maar nu, jaren later, schrijf je, en het warme huis bleek een burcht waarvan de eeuwenoude muren je rieten hutjes kortverhalen en schuchtere tentjes beginnersromans even dwingend overschaduwen als de trauma’s waar je als kind ook al niet aan kon ontsnappen. Je leven herhaalt zich, een canon als het ware.

‘Jij niet, jij wel. Jij niet. Jij niet. Jij niet.’ als bedelaars schuiven we aan bij allerhande schrijfwedstrijden. Het paradijs van vroeger is een exclusief resort geworden, en er is maar plaats voor één gast. De geesten van het verleden nemen suites in waar niemand anders in mag slapen. Buiten kruipen de borelingen in de modder, zo dicht mogelijk bij de grond, om geen kruimel inspiratie te missen. Vrienden blijven voorlopig, te bedreigend, te banaal. De parels van een ander doen je alleen maar denken aan je eigen lege broekzak. Was ik maar vijftig jaar eerder geboren. Vlak na de oorlog, boem, paukenslag, toen alles nog tot de verbeelding sprak. Had ik maar een groter verdriet om over te schrijven. Was mijn moeder maar Arnon Grunberg.

En plots sta je daar, met een brandende toorts in je hand, op een gure avond in het gangpad van de lokale bibliotheek. Waarom de jobstudent je heeft binnengelaten weet je niet, maar het was een fout want als je wegwandelt ben je The Joker en ontploft het hele gebouw. De wereld ontmaskert zichzelf als licht ontvlambaar: elke kast met boeken, een brandend bastion van censuur, te groot om af te breken, te bekrompen om in te passen, te wit en te Claus. Je hijgt en op je gezicht zitten vegen. Nu flakkeren ook je eigen teksten op: je zelfverering ruikt naar rubber, de pretentie druipt eruit zoals sissend vet. De wereld smeekt om dappere boodschappers, helden in kwetsbaarheid, woorden die fluisteren, schreeuwen, trillen: ‘Nee!’ Weg met het verleden, ratelslang met open bek!

Maar dan, onderaan de metershoge stapel op elkaar gesmeten boeken, gerukt uit huizen en uit armen, je betoog een razzia, zie je het ei van oom Trotter. Vergeeld en gebroken, reeds half verkoold. Een traan prikt in je oog. De gemene moppen, die schop die je kreeg onder de zetel bij verstoppertje. Met de rook schurend in je keel besef je: Ik was niet voor op mijn tijd, ik was achter.

Dit is wat ik je toewens, lezer, schrijver, lichaam, tijd. Herhaling zoals een polsslag. Stemmen die je tegemoetkomen als een pompend hart, wanneer de eenzaamheid je weer wegrukt van de wereld. Geen hoge woorden, alleen bereikbaar voor bewoners van ivoren torens, maar verhalen waarin je kan ontwaken, zoals de ochtend van een mooie dag. Om later op de avond in terug te keren, en met plezier in de Verwondering te beseffen dat het geen toeval was – dat de held de slechterik was, het begin het einde, dat alles naar elkaar verwees, en uiteindelijk ook naar jou. Het verhaal dat je meedroeg, heeft op je gewacht, en laat zich zoals zijn eigen canon lezen.

Laat dit jouw geschenk zijn, je eigen herhaling te schrijven. Elk gebrek, een opening. Elke stolling, een zin. Elk woord, met in zijn hart het antwoord, dit is waarom ik lees.

(2020)