Mijn borsten

Ze was drieëndertig, net zoals Jezus, en reed zoals een hiphopper met de radio bonkend aan. Q-Music. Ik kende haar niet goed, maar dat herinner ik me nog, omdat mijn moeder Q-Music ook altijd zo overdreven luid opzet. Zelf had ze geen kinderen. Een baby, niet de hare, krijste eenzaam in de stille, volle kerk.

    Kanker. Opnieuw stonden we hier. Hetzelfde verhaal, andere vrouw. Bijna voelde het routineus. Ik was niet kwaad. Ze was wel populair, bedacht ik me. Op de voorste rij alleen maar mensen met rode ogen. Haar vader. Haar moeder. Twee broers en een zus. Een lief met lang haar. Schuifelend en snuitend daarachter, een grote groep vrienden. Een koor misschien, of een voetbalploeg. De volgende rijen, bezet door uitzonderlijk veel familie. Collega’s misschien. Collega’s komen meestal massaal naar begrafenissen. Ze krijgen er waarschijnlijk een dag vrij voor. Belangrijk voor de rouwverwerking en de goede gang van zaken.

    Wij zaten achteraan, achter een dikke pilaar, tussen de mensen die kwamen voor andere mensen. De oude buurvrouw van de vader. De huisgenoten van de zus. Allemaal deftig in het zwart, en zo stil mogelijk triest.

    Helemaal achteraan, in een hoekje van de kerk, stond een groepje van een zevental kinderen, begeleid door een man met verschoten, groene hoodie. Ze friemelden aan hun kleren en draaiden in het rond, maakten apengeluiden en giechelden. Eén ervan zat in een rolstoel. Vier kinderen stonden recht, een drietal zat op de grond. Het klasje van de moeder, speciaal uit hun routine gehaald. Ze hadden elk een tekening vast. Sommigen hadden het papier al terug verfrommeld, of smeerden de glitters van hun tekening op hun gezicht. De man met hoodie zat uitgezakt op de laatste stoel, en leek de kinderen niet op te merken. Ik stoorde me, eerder nog aan hem dan aan hen, en draaide me om om iets te zeggen. Op dat moment viel ze mij op.

    Misschien eerst omdat ze best groot was, tussen de andere kinderen, en er ook al ouder uitzag, veertien, vijftien. Daarna omdat ze dezelfde rok droeg als ik. Haar haar hing los langs haar gezicht, en haar jas hing open. Ze had geen trui aan, hoewel het toch koud was, alleen een roze T-shirt. Onder de T-shirt wiebelden haar dikke borsten, zonder bh. Maar daarover wond ik me nog niet op. Niets verkeerd met losse borsten.

    Het was dat ze met haar handen onder haar T-shirt kroop, en haar twee tata’s stevig vasthield. Vervolgens begon ze haar borsten te strelen en te kneden, als twee dikke deegballen. Ze bracht ze naar haar gezicht, alsof ze zichzelf aan het troosten was – en hoe degoûtant! Mijn voeten waren koud, maar de rest van mijn lichaam gloeide. Waar haalde ze het vandaan? De onbeschoftheid, en dat hier, zonder schaamte dan nog. Als ze kon, zou ze nog aan haar eigen tepels zuigen! Ik haatte haar intens. Alsof ík mijn borsten niet wou vastpakken, zomaar, als ik dat wou. Alsof ík geen zin had om zonder bh, lekker te bewegen, te schudden en te draaien tot ik moe was. Alsof ík het niet spijtig vond dat ik mijn tepels alleen kan raken met het tipje van mijn tong, en ze niet volledig in mijn mond kan nemen. Alsof mijn borsten niet van een ander zijn, níet van de maatschappij, níet van de dokter. Míjn borsten, niet alleen om te bedekken, in te snoeren of om een ander aan te laten lekken. Míjn borsten, niets om me voor te schamen, niets om bang van te zijn, niets om te amputeren. Mijn borsten, míjn borsten!

Nadat ik een paar seconden met mijn ogen tot spleetjes geknepen had staan staren, zonder resultaat, draaide ik me terug om. Ik was machteloos.

(2021)

Bron afbeelding: https://www.dionnevandenbijgaart.com/index/190066631_BORST+IN+BEELD.html#.YYlZL2DMJPY

Net Echt

Ik vertel mezelf dat het niet echt is.

Dat het tikken van de klok me niet zenuwachtig maakt. Dat ik niet echt denk dat ik zwanger ben als mijn regels een week te laat zijn. Dat ik het niet erg vind, dat onze was van Klaas maar twee dagen op het droogrek in de gang mag hangen, voor er een briefje op de frigo komt. Dat ik de dode vogel in het gras vergeten ben, toen, een paar meter verder van ons picknickkleed, die keer in het park in Lissabon. Dat Brecht, Vincent, Antoine, die ene blonde jongen, – dat geen van hen nog weet wie ik ben, dat ik uit hun geheugen gewist ben omdat het zo banaal was, zo saai dat niemand zich herinnert hoe mijn billen over oude onderbroeken puilen, hoe mijn borsten voelen, – en niemand nog denkt aan hoe mijn stem wat schel wordt bij de grapjes die ik maak als ik me ongemakkelijk voel. Dat ik geen hoofdpijn heb, en dat ik wél kan slapen, ook zonder slaappillen. Dat het een kwestie is van wennen. Wennen aan mensen die je goedbedoeld aanraken op je rug, zonder dat je dat wil. Wennen aan rauwe, bittere witloof op recepties. Wennen aan buikpijn en daarna aan honger. Wennen aan de tijd die overloopt.

Wie is ianthe? Ben ik dit echt, of loop ik achter op mezelf?

Daar zit ik dan, op een stoffige dag in juni, alleen in een broeierig klaslokaal, mijn notities verfrommeld in mijn hand. Examens zijn niet echt. Je moet het niet echt kunnen. Gewoon wat ze vragen. Gewoon wat ze zeggen. En dat punt op het einde is ook niet echt. Niemand geeft erom. Ik toch niet. Een punt zegt niets over mij. Niets. Ik ben geen punt. En een herexamen is toch ook maar een herexamen, een professor een mens, een diploma een papiertje. En dat ik een half uur op een ongemakkelijk stoeltje wacht. Dat ik verdwijn wanneer ik het antwoord niet weet, maar toch moet blijven zitten. Dat mijn professor me over de rand van zijn bril aankijkt. Dat hij fronst, en dat hij niet wil horen wat ik zeg. Dat hij een semester lang mag praten, en ik nog niet eens vijf minuten. Dat hij naar huis wil, en ik ook. Het is allemaal verzonnen, allemaal niet echt. Alleen maar kleine, zotte verhaaltjes, rollend en tollend in mijn hoofd. En dat is wat ik zeg: ‘het is misschien niet echt.’

‘O, het is wel echt hoor,’ zegt hij. Het is een lieve professor, zijn haar ligt in de war, hij vraagt me wat ik ga doen na het examen. Ik zeg dat ik ga ademen. Daar moet hij mee lachen. Ik bedoel het letterlijk. Zijn seminarie ging over symbolisme.

Mijn naam is Grieks voor viooltje, maar dat is natuurlijk niet echt. Ik ben geen echte bloem, je kan me niet plukken, ik knak niet echt. Symbolisme is voor Seminaries, en ik woon in België, een land waar niemand Grieks verstaat, en iedereen mijn naam schrijft zonder ‘h’, want die hoor je niet in het Vlaams. Een letter, verdwenen van zodra uitgesproken, bijna niet echt. Nochtans, zou je denken, is eerste letter die verdwijnt in ianthe, de ‘i’. Zoals in:

‘Net echt.’

(2019)

Liever Nog Verschrikkelijk

‘Het leven is niet verschrikkelijk. Het is belachelijk. En dat, is onverdraagbaar.’

Op mijn zestiende kraste ik die woorden in het licht verende hout van mijn schoolbureau, onder ‘Ik hou van Thomas’, de laatste bijdrage aan de rij van anonieme tienerconfessies. Het was een citaat uit het toneelstuk ‘Hedda Gabler’, vanuit het Noors vertaald naar een podium in Gent – of zo stond het toch op de recensiesite. Misschien was het een creatief verzinsel van de journalist die het artikel moest schrijven. Ik was niet bij de opvoering en heb het citaat nooit meer ergens anders teruggevonden, ook al is het best een bekend stuk. Nochtans had ik een ticket gekocht, en had ik zelfs het plan opgevat om er een opstel over te schrijven voor Nederlands. Helaas, op de trappen van het theaterhuis kreeg de vriendin die me vergezelde, een zware angstaanval – een heel ander verhaal, voor een andere keer – waardoor we strandden voor de open deuren van de zaal. Terwijl de deuren sloten en het stuk begon, lag zij oncontroleerbaar te trillen op de tegels van de inkomsthal. Ik kon haar niet achterlaten in die scène, toch zeker niet voor een gelijkaardig drama, en dan nog eens fictief. Achteraf, aangezien ik toch iets moest schrijven voor die opdracht van Nederlands, besloot ik mijn recensie te distilleren uit de recensies van anderen. Uiteindelijk werd ik beloond met een negentien op twintig, grootste onderscheiding, en dat, zonder er zelfs maar geweest te zijn.

En zo zou het verhaal kunnen eindigen, licht heldhaftig, met een beetje bricoleur-gehalte, of toch tenminste een teken van ontluikend verteltalent. Toch, bij het scrollen door de recensies achteraf, – het optreden bleek een gigantisch succes te zijn – voelde ik spijt. Spijt dat ik het had gemist. En zelfs nu nog, na al die jaren, krijg ik van tijd tot tijd zin om op zoek te gaan naar een video, een transcript, iets om te achterhalen wat er juist verklaard werd met die mysterieuze woorden.

Die woorden, die voor mij vandaag nog steeds zo waar klinken: Het leven is niet verschrikkelijk. Het is de belachelijkheid die we niet kunnen verdragen. De belachelijkheid, ofwel, in mijn zestienjarige wereld, de schaamte over de banaliteit. De schaamte over het feit dat, terwijl al mijn helden in boeken een doel hadden, bijzondere vrienden of een geweldig talent, ik daarentegen elke avond alleen op mijn internaatskamer zat te luisteren naar het inhoudsloos gekwekkel van Anke en Wim Oosterlinck op Q-music. Het werd uiteindelijk zo erg dat ik op mijn zeventiende niet meer in mijn eigen dagboek kon schrijven – zo afgrijselijk verveeld en diep teleurgesteld was ik, door mijn kleinzielige leven, mijn onvergefelijk saaie geest.

Jaren later, intussen tweeëntwintig, schreef ik er zonder het door te hebben, mijn thesis over: ‘Schaamte en de blik van de ander bij Sartre’, suggererend of we de ergste schaamte niet voelen onder de blik van anderen, maar onder onze eigen blik. Onze eigen blik, die ons hoe dan ook achtervolgt, overal getuige van is, geen spatje bloed, kak, leugen of valsheid mist, de laatste stem die ons ’s nachts wakker houdt, en ons zelfs in dromen achtervolgt.

Het was niet zomaar een idee, het is een obsessie. In de voorbije jaren heb ik er vriendschappen door verbroken en relaties voor verlaten. Steeds vond ik mezelf op dat moment waarop ik de kamer rondkeek, in de ogen van een geliefde, of aan het luisteren naar een verhaal van een vriend, met afschuw beseffend hoe ik deel uitmaakte van een herhalingsaflevering. Een herhalingsaflevering van een slecht geschreven soap, met acteurs die me niet meer konden boeien. De mensen rond me wisten nooit wat er gebeurde, waarom ik zomaar verdwenen was, of wat ze hadden misdaan. En dat was natuurlijk de ergste tragedie: Ze hadden niets misdaan. Ze waren niet verschrikkelijk. Ze waren belachelijk. Want in hun banaliteit, werd ik geconfronteerd met de mijne.

Een tijdje geleden werd ik verliefd. Waar ik lang niet kon schrijven, vloeiden de woorden plots terug van mijn hart naar mijn handen op papier. Op den duur kon ik niet meer werken, en schreef ik stiekem op kantoor, dagenlang, ellenlange liefdesbrieven aan mijn geheime geliefde. Ik snapte niet wat me overkwam – hoe een ingebeeld publiek van slechts één normale man, een ongeletterde wetenschapper dan nog wel, me meer kon doen bewegen dan het vooruitzicht van erkenning door literatuurcritici of kunstzinnig gelijkgestemden. Sterker nog: Meer dan mijn eigen verlangen mezelf te lezen. Eindelijk schreef ik niet meer voor die zuurpruim die ik zelf was geworden.

Soms vraag ik me af of dit verhaal de kwelling is van elke schrijver. De forceerpoging alles in een beter daglicht te stellen – helderder, wijzer, blinkender. De leugenachtigheid, om ten slotte toch altijd geconfronteerd te worden met het einde van de dag, de limieten van de verbeelding, de onverbiddelijke desinteresse. De angst om in de foute tijd te leven, of tussen de foute mensen, en om een avond, een dag, een leven lang, gegijzeld te worden door hetzelfde repetitieve schouwspel, een volledig leven onomkeerbaar verloren aan de banaliteit en de vergetelheid. Alsof het allemaal om het even had kunnen zijn. Om als dertienjarige genegeerd te worden aan het avondeten, door de meisjes op de slaapgang. Om rond twee uur ’s nachts, door dronken mannen nageroepen te worden in een Leuvense straat: ‘Walvis, walvis!’ Om te wachten op die sms die nooit meer komt.

Moet er niemand zijn om dat te noteren? Iemand die zegt: ‘Kijk, het was verschrikkelijk. Daar doen we niets meer aan. Maar het was tenminste interessant.’

(2021)

Ik hou van antivaxxers

Daar liepen we in de overvolle winkelstraat, tegen mensen die nog vreemder gekleed gingen dan dat wat we normaal gezien op deze plek mogen verwachten. De onrustzaaiers waren met twee. Eén van de twee had een wit pak aan, met een pin op zijn hoofd. De andere had een grijze onesie aan, met een lange, dikke slinger die bengelde boven zijn stuitbeen. Ze sprongen op en neer, armen in de lucht, alsof ze aan het dansen waren op onhoorbare muziek – of een te hete kookplaat. De dingen die ze schreeuwden begrepen we niet, maar gelukkig is Yolan, die vaak gezelschapsspelletjes speelt en uitzonderlijk sociaal aangepast is, goed in het interpreteren van taferelen die voor mij doorgaans onbegrijpelijk zijn.

‘Die ene ziet eruit als een muis.’ Hij fronste even, kneep zijn ogen wat samen, om beter te kunnen kijken. ‘En die pin met dat wit… Een naald? Een spuit?’ Hij mompelde: ‘Een spuit en een muis – of een rat. Zou het? Wij, de labratten – en het vaccin, …’

Ik klapte in mijn handen alsof we de menselijke gedragsbingo hadden gewonnen: De antivaxxers! Nu ook aan de Hema in Brussel gesignaleerd.

Yolan maakt zich zorgen, en waarschijnlijk hoogst terecht. Maar eerlijk? Mij maakt het enthousiast. Sterker nog, ik hou van antivaxxers. En hoewel ik de eerste zal zijn om die spuit in mijn arm te duwen, helemaal overtuigd van het nut van een ingeënte maatschappij, zou ik in het geheim meer anarchistisch antivaxxer willen zijn dan wat anders. Ik hoop dat niemand hen ooit overtuigt, en dat ze blijven protesteren – ook al gaat de wereld eraan ten onder. De woede tegen hen heb ik nooit gesnapt. Wat is er zo frustrerend aan dat kleine zinnetje: ‘Ik geloof het niet’?

Nu ja, als je wil overleven in deze tijd, moet je wel geloven. Geloven dat het nieuws dat je leest geen fake news is. Geloven dat de nutri-score van die noedel schotel in de Delhaize wel écht A is. Geloven dat de onbekende bestuurder van de trein waarin je zit, geen rare toeren zal uithalen, gewoon omdat het vrijdag is. Wat als de twijfel dan toch toeslaat?

Tja, één keer je bent vertrokken op die trein – dan blijf je gaan, tot aan de maan: want hoe kan je weten of we daar écht zijn geland? En om van de maan naar de flat earthers te gaan: Ben jij ooit al rond de aardbol gelopen? Mijn vrienden worden zenuwachtig als ik zeg dat ik niet met zekerheid weet dat radioactiviteit bestaat, en proclameer dat ik geloof in Einstein, zoals een ander gelooft in God. Snap jij een snars van die formules? En was jij erbij toen de vaccins werden gemaakt, of de zogenaamde experten hun diploma’s haalden?

Stiekem denk ik: Waar zit de schande? We geloven allemaal. In de wifi. In de zwaartekracht. In de KULeuven. Een warboel van theorieën, mensen en instanties die ons leven bepalen, die ons leven mogelijk maken, en die we dagelijks aan het werk zien – maar waar we uiteindelijk niets van snappen. Kleuterachtig blijven we mekkeren: ‘Maar mijn mama zegt dat,’ en lopen we te verkondigen dat alles ‘wetenschappelijk’ verklaarbaar moet zijn, terwijl de meesten van ons nog niet eens kunnen verklaren hoe het kan dat de glazen schuifdeuren bij de bakker automatisch openen. Die krampachtige arrogantie, die kwade onwetendheid. Dat blind geloven – zo blind dat we niet eens doorhebben dát we geloven. Het is bijna té gemakkelijk. Alles dat je nodig hebt is één antivaxxer.

(2021)

Alleen maar woorden

Het is bijna twaalf uur ’s nachts, mijn tenen zijn koud en de thee ook. Een half uur lang luister ik nu al gebiologeerd naar Anneke Lucas. Auteur, spreker, oprichter van een organisatie die yoga mogelijk maakt in gevangenissen – en overlever van een moorddadig netwerk van seks handel.

Ze liegt.

Of althans, zo suggereert iemand in de commentaren. En wie zal zeggen of het echt zo is?

Deze vrouw, die vertelt over hoe ze als kind van zes werd doorgegeven op feestjes als seksspeeltje. Deze vrouw, die met smalle polsen voordoet hoe ze als tienjarige vastzat in haar T-shirtje, dat ze moest uitdoen van de vreemde die haar ging verkrachten. Deze vrouw, die vertelt over hoe ze na het orgasme van de man bovenop haar in haar kleine lichaam, verwoed zocht in haar hoofd: ‘hoe blijf ik in leven?’ – want ze had al kinderen vermoord gezien na de daad. Deze vrouw, die diep inademt, slikt, en stilvalt tijdens het vertellen, omdat deze beelden na al deze tijd nog steeds op haar netvlies gebrand staan. Deze vrouw zou kunnen liegen.

In een ander filmpje vertelt ze hoe ze elf was, en gemarteld werd op een slagersblok dat zwart zag van het bloed van de kinderen voor haar. Vandaag nog, zit haar lichaam onder de littekens van die zes uur durende foltering. De littekens van de vijf jaren verkrachting daarentegen, zijn onzichtbaar. Bijna alsof het nooit gebeurd is, zou je denken.

Om vijf voor twaalf raast er een woede in mij die moeilijk te sussen valt. Niet omwille van het verschrikkelijk feit dat we nog in een wereld leven waar dit kan, en waar dit elke dag nog gebeurt. Niet omwille van het ongeloof van iemand die duidelijk te bang is om deze waarheid te aanvaarden – wie verwijt het hem?

Het is het feit dat we zo kwetsbaar zijn, en slechts zo weinig hebben als een paar woorden en een stem. Een verhaal dat, zelfs met foto’s, zichzelf niet zonder twijfel kan bewijzen, omdat dat is hoe het er in deze dimensie aan toegaat: vergankelijk, subjectief, eenzaam. Zo gemakkelijk onderuit te halen door één opmerking, één vraag, zelfs maar één blik. Het verhaal hoeft zelfs niet bedekt te zijn door de mist van het verleden. Hoe vaak twijfelen mensen niet aan wat ik zeg, op het moment dat ik het zeg?

‘Niemand zet je onder druk, je beeldt je dingen in.’

‘Overdrijf nu eens niet.’

‘Misschien is het jouw fout wel. Misschien heb je het uitgelokt.’

En toch. Ik speel het filmpje opnieuw af. Deze keer beeld ik me in dat ze liegt. Dat ze een goedbetaalde actrice is, een willekeurige vrouw waar nooit iets mee gebeurd is, geen misbruik, geen verdriet, geen afwijzing en geen angst – want ja, zo’n vrouwen bestaan. Daar raakt haar stem weer die snaar, kijk ik in die menselijke ogen, luister ik naar iets dat alleen maar voelt als hartverscheurend en herkenbaar.

Het kan me niet schelen of ze liegt, of ze overdrijft, of ze spreekt over dingen die te minimaliseren zijn, in commentaren op youtube, in rechtssystemen overal, of door stemmen met meer macht. Het kan me niet schelen of ze slechts verteller is, en niet eveneens het verhaal, de hoofdpersoon, de heilige autoriteit met onaantastbaar recht van spreken – ook al schreeuwt alles in mij: Natuurlijk spreekt ze de waarheid!

Het is naast het punt.

Wat ertoe doet, is dat haar woorden raken aan iets waarvan ik voel, in al mijn koude botten:

Deze woede klopt. Deze onmacht is waar. Dit verdriet voelt nu al zoals het mijne. Niet van mij – maar gedeeld, gekend, omarmd. Met het weinige dat ze had – slechts een paar woorden en een stem, wist ze mij te bereiken, drong ze door in mijn leven, en maakte ze mij mee getuige.

Getuige van wat?

Feit of fictie? Littekens die niemand kan zien? Betwistbare gevoelens en ervaringen, want tja, toch subjectief?

Het is waar. Het zijn, hoe hard ook – alleen maar woorden.

En misschien is dat het enige wat nodig is.

(2021)

Zelf slachtoffer van seksueel geweld, bezorgd om iemand, of geïnteresseerd in meer informatie? Klik dan zeker door op onderstaande links.

https://www.nupraatikerover.be/

https://www.seksueelgeweld.be/

https://annekelucas.com/

https://www.slachtofferzorg.be/kindermisbruik/

Samen Sterven

Soms lig ik te sterven in Wereld Oorlog I. Meestal gebeurt het op een donkere avond – de laptop dichtgeklapt na de laatste vergadering met bijtende mopjes, finis. Onzeker over mijn behaalde resultaten, diep twijfelachtig over mijn aanwezigheid in het ‘team’, verloren, ja, misschien ook wel. Had het echt zo moeten gaan? Ik loop naar het raam, en kijk naar de hemel zonder sterren.

Daar lig ik, anoniem soldaat, in een West-Vlaams veld. Terwijl het aardvocht in mijn verschoten uniform kruipt, en mijn benen langzaam gevoelloos worden, adem ik de nachtlucht in. Op mijn rug luister ik naar de stilte, die doodse stilte na de veldslag, waar geen vogel meer zingt en geen bomen nog ruisen, waar geen hart nog rusteloos bonkt. Het einde.

En in dat moment gaan mijn gedachten terug naar de momenten ervoor. Hoe mijn collega – die mijn job wil, en achter mijn rug om deals zit te regelen – nu strijdmakker, zijn half uiteengereten lichaam op het mijne had gesmeten, om de kogels voor me op te vangen toen mijn munitie op was. Hoe we op een kritiek punt omringd waren door vijanden, tot ze plots één voor één neervielen als bij wonder. Ik wreef het bloed uit mijn ogen, kon niet begrijpen dat ik nog leefde, en keek op. Daar was de afstandelijke kuisvrouw, achter een barricade. Ze stak een duim naar me op. Scherpschutter tot het einde, tot en met het moment dat ze, ondanks het geschreeuw van de mensen rond haar, bleef schieten, weigerend ons achter te laten, en uiteindelijk zelf werd geraakt door een verloren kogel. Hoe mijn baas, altijd met net genoeg begrip voor zichzelf, het bevel van zijn hoger geplaatsten voor de eerste keer had genegeerd, zich een tank had eigen gemaakt en recht in de vuurlinie was gereden, zodat wij, voetsoldaten van zijn bataljon, dekking hadden. Met zijn vuist omhoog geheven, zijn credo schreeuwend, was hij ten onder gegaan: ‘It’s just a fucking job!’

Een glimlach kruipt over mijn gebarsten lippen, ze smaken naar zout en ijzer, tranen en bloed vermengd. Hier lig ik dan, ten midden van al die prachtige, getalenteerde mensen. Koude lijken nu, hun ogen opengesperd, alsof nog in het gevecht. Wreed vermoord, hun gezichten onherkenbaar kapot geschoten, nu al vergeten. Ten midden van haat, angst en eenzaamheid, hadden we elkaar gevonden. Op het moment van hoogste nood schoven we onze angsten opzij en ons ego aan de kant, en ja, offerden we ons leven op voor elkaar. Als niets er nog toe deed, als alles dan toch verloren was, waren wij tenminste samen.

Geen deadlines meer. Geen verrassingsaanvallen van dubbelspionnen. Geen vergaderingen die eindigen in eenzaamheid. Hier, op het slagveld ’s avonds laat, ligt dat leven achter ons.

Ademen gaat lastiger. Langzaam glijd ik weg. Het is niet erg. Het mag hier stoppen. We hebben samen gestreden. Laten we samen sterven.

(2021)

Koud Zaad, Kokend Water – meditatie over de wreedheid van enthousiasme

Het is zaterdag vandaag, en ik voel me afgrijselijk rusteloos. Ik ben juist begonnen aan mijn nieuwe job in IT rekrutering, en de overprikkelde gedachten en euforische gevoelens dringen zich uit mijn lichaam als een teveel aan kokend water uit een gebarsten kan. Een nieuwsbrief om de kandidaten betrokken te houden, een hiking weekend met software developers, het belang van veiligheid binnen een sterke bedrijfscultuur, en alles dat erbij komt kijken, elke stap die ik ertoe zou nemen – Enthousiaste ideeën en emoties lopen in hete straaltjes over mijn geest en verbranden mijn huid, de jeuk is verschrikkelijk, en wat nog erger is: ze zijn zo heet dat ze verdampen voor ik ze kan vatten. En hier zit ik weer, te schrijven voor mijn leven, verteerd door die wilde energie vanbinnen, in een poging mezelf bij te houden, te peddelen met mijn handen op het toetsenbord – alsof ik nog kan geloven dat die gedachten en gevoelens van mij zijn, en me niet overkomen als iets van buitenaf, een tsunami, een koorts, een waanzin. Soms lukt het om alles te vatten, en voel ik me innerlijk in rust, leeggelopen, leeggeschreven, badend in een kalme zee van oorspronkelijke stilte, waar alles vredig is en niets me nog overstroomt.

Enthousiasme, passie. Iedereen heeft het er vandaag over – misschien niet in die woorden, eerder nog in inversie: burn-out, depressie, verwarring, eenzaamheid. Maar willen we eigenlijk wel enthousiast zijn? Verteerd worden door passie, die stormachtige zee die overal tegen beukt, trekt en sleurt aan alles tot en met de metersdiepe bodem, die met een bijna onmenselijke kracht de sterkste schepen doet zinken?

Want wat blijft er nog over? Levert het me iets op, op zo’n losgeslagen manier te leven, steeds maar weer van bakboord naar stuurboord gesleurd te worden, overstroomd te worden door nieuwe ideeën, tintelende gedachten, mezelf te verslikken in zout water en mijn eigen tong, geen uitzicht te zien en geen richting meer te hebben?

Ik ben zo bang om mezelf te verliezen.

Op den duur herken ik mezelf niet meer, weet ik niet meer welke kracht van mij is: de kracht die alles wil kalmeren, of de kracht die zo weerbarstig in me stroomt, en me voortdurend wil overnemen. Mensen vinden het ‘mijn talent’, ‘mijn geweldig enthousiasme’ – maar is het zelfs van mij, en is het echt zo geweldig? Vaak ben ik bang dat ik uit elkaar val, letterlijk dan. Dat ik op de straat uiteenspat in blokjes of in ingewanden, en onderweg voortdurend moet controleren of ik al mijn ledematen nog heb. Misschien dat ik daarom mezelf steeds inpak in strakke onderbroeken, broekkousen, omsluitende topjes – mijn kleren als strak omhulsel om mezelf bij elkaar te houden, ook al voel ik dat innerlijk, mijn uiteenvallen al begonnen is. Maar ook naar anderen toe val ik uiteen: Eerst in enthousiaste ideeën en brede glimlachen, daarna in frustratie, woede, teleurstelling – of gewoon vermoeidheid.

Want op het einde van de dag schiet er niets meer over – niet van mezelf en niet van mijn ideeën. Ze zijn innerlijk ontploft in een soort orgastische sprong, zo geweldig dat het pijn doet. Even is er de extase, maar die ebt al snel weg. Daarna, of ik er nu in slaag om toch iets op te schrijven van wat me verteert, of niet, voel ik me zoals een man die zichzelf heeft afgetrokken op een slechte pornofilm. Eerst was ik rusteloos, ongeduldig, niet meer helder. Alles in mij schreeuwde om bevrijding, zalige bevrijding, prachtige bevrijding. Nu ik mezelf heb bevredigd, of eerder, heb toegegeven aan die kracht, kijk ik naar het koude zaad in mijn hand, dik en plakkerig. Daar, het resultaat van mijn beloftevolle bevrijding – niet terechtgekomen in een warm vrouwenlichaam, maar vies, voorbarig en eenzaam ter wereld gebracht in mijn handen – De schaamte en de tristesse, te beseffen dat het slechts dit was wat in me leefde. Slechts deze woorden blijven over. Slijm.

(2021)

Gedachtenschets: Over herkenning en herhaling

Misschien is het dat ik me niet meer herken in mijn eigen woorden. Schrijven voelde altijd als verlichting, een plek om dat wat binnen me leefde, te laten ademen op papier. Later werd het iets dat ik goed kon, iets om over te praten, iets om te laten lezen. Sinds kort is er iets veranderd. Ik kan niet meer lezen wat ik schrijf en lezen wat ik schreef. Integendeel, ik lees de woorden van anderen – plots valt het me op hoe hard ik toch, terwijl ik dacht vanbinnen mezelf te hebben ontdekt, nee, toch, anderen zat na te praten. Omdat ik niet beter wist. Omdat ik niet beter weet.

Niet dat het de kracht ervan ontneemt, noch de oprechtheid. Nee, het was oprecht en dat is het nog steeds. Het is niet omdat iemand anders het je voordeed dat jij de beweging met minder overtuiging voortzet.

Het is allemaal één grote herhaling – wat ik al wist. Maar wat ik onderschatte, was dat het zelfs niet eens zo groot was als mijn eigen herhaling, maar dat ikzelf een herhaling ben van al het andere.

(2020)

Gedachtenschets: Brussel, en andere paradoxen

En daar sta ik weer, in het novemberdonker om half zeven, te roken aan het dakraam van ons appartement. Een schim in het gebouw aan de andere kant lijkt me aan te staren vanuit z’n zetel. De lichten branden er de hele nacht. Soms rookt een vermoeide verpleegster op de binnenkoer.

In Brussel leven wij, appartementsbewoners, kantoorwerkers, ziekenhuisresidenten, zo dicht op elkaar, raam boven raam, kamer naast kamer, slechts gescheiden door dikkere of dunnere prefab muren. Je zou denken dat we elkaar op den duur zouden herkennen, of toch tenminste elkaar ooit kruisen, elkaars doorleefde zuurstof in- en uitademen, zoals die, zeker in dit stormachtig weer, wordt voortgestuwd door de wind, schurend en huilend tussen kieren en gaten, alsof er haast bij is. Toch zijn onze levens even banaal als onontkomelijk gescheiden door de slecht geïsoleerde muren die ons leven afbakenen. Zo zit de donkere figuur aan het raam gekoppeld aan een zuurstofmachine, en blaas ik de rook uit die mijn longen verschroeit. Onze levens, omgekeerd gespiegeld. Slechts een paar meters gescheiden van elkaar, staren we naar het leven van de ander, en weten we niet of die ander ons zelfs ziet – als Brusselaar kan je nooit helemaal uitsluiten dat je bent gestrand in een nooit erkende Bermudadriehoek, waar algemeen geldende wetten, juridisch of fysisch, noodzakelijk scheefgroeien of zichzelf overwoekeren, waar elke mens leeft in z’n eigen parallel universum, in z’n eigen taal, en je jezelf afvraagt of je waanzinnig wordt, of dat het echt is, die ene zwerver met lichtgevende ogen, aan de Delhaize. Hier weet je het nooit.

Ik weet niet of de figuur aan het raam, vastgekluisterd aan machines en medisch personeel, nog recht heeft op de vraag: ‘Wil ik nog leven?’ Ik, jonge zesentwintiger met een gezond lichaam en slechts licht vermoeide geest, zoals het hoort, speel ermee. Door niet goed te kijken of er een auto aankomt als ik oversteek, door pillen te mixen op goed geluk, door te roken alsof ik zeven levens heb.

Ik blaas de grijze wolkjes in de donkere lucht. Wil ik nog ademen?

Als kind hyperventileerde ik snel. Ik ademde te hoog, en bij verwarring steeg die hoogte zo snel dat ik erin bleef steken, mijn kleine kinderborst op- en neerging; mijn mond, happend naar adem, mijn ogen groot van angst, mijn oren toe voor de sussende woorden van volwassenen. Ik moest mezelf leren ademen, traag in- en uit, zo diep dat mijn buik ervan ging opzwellen, met gedachten aan ballonnetjes, kalme zeeën, hoge plafonds. Moeilijk allemaal. Zeker als je dat moest combineren met al het andere (wiskunde, vervelende vriendinnetjes, vreemde filmpjes op Youtube met flitsende kleuren, ik zeg maar iets). Misschien is het dat wat mensen doet roken. Het maakt ademen gemakkelijk. Het diepe inhaleren van warm vuur, troostend, lichtgevend. Het uitademen, een bevrijding van wat je eruit wil roken, zoals de brandweer een agressief wespennest zou verschroeien. Ik rook, omdat ik mezelf wil zuiveren. Ik rook, omdat ik wil ademen.

Laatst drukte iemand mijn keel dicht, tot op het punt dat ik naar adem begon te happen. Hij deed het op mijn vraag. Maar hij durfde niet doorduwen. Ik heb er altijd van gehouden om vastgehouden te worden. Een ferme hand die me bij elkaar houdt, die me ondersteunt, die me laat voelen dat ik besta, te vatten ben. Ik neem aan dat taal, en deze specifieke woorden, die rol eveneens vervullen. Woorden als handen om mijn gedachten en gevoelens in te leggen, om mezelf in te wikkelen als een deken. Hoe hard wil ik vastgehouden worden, en hoe hard wil ik leven? Wil ik rust, een uitweg uit de rusteloosheid, of wil ik ademen?

Hoe diep ik ook inhaleer, koude lucht als schuurspons, of rook als warme gloed, er is altijd dat moment van paradox, van rusteloze nood aan beslissing, aan omkering, aan terug uitademen. Het wordt nooit simpeler dan nu. Tot en met die laatste keer. Kan je inademen, en dan sterven?

Het licht aan de andere kant is uitgegaan.

(2020)

Begin

Ik was tien toen Benjamin mijn naaktportret tekende, negen toen we elkaar leerden kennen. Volgens de journalisten die hem spraken, ben ik twaalf, mijn vader zal volhouden dat ik dertien was. Waarom die mannen zo vasthouden aan mijn leeftijd, weet ik niet. Alsof een jaar meer of minder de feiten geloofwaardiger maakt, de blikken op mijn lichaam rechtvaardigden. De waarheid is dat ik een kind was toen hij me voor het eerst zag.

Het was een uitzonderlijk koude namiddag in november, toen ik via de grote schuifdeur, die wagenwijd openstond,  binnendrong in zijn atelier. Mijn moeder had me, zoals zo vaak, meegesleurd naar de Vandereeckenstraat,  waar in die tijd, volgens haar alle ‘belangrijke mensen’ rondhingen: Kunstenaars, schrijvers, filosofen, dat soort allooi. Hoewel de hele scène oplichtte door haar caféavonden, exposities, soirées en lezingen, waren de grootste sterren diegenen die de rest in duisternis lieten. Benjamin, in die tijd nog een nieuwkomer, behoorde toen waarschijnlijk al tot dat exclusieve, efemere clubje. Zij, ‘de ontdekten’, waren de ware hoofdpersonages van de wijk. De rest van de artistieke cafégangers maakte er een sport van zoveel mogelijk te weten over de ontdekte genieën, om onderling te discussiëren wie diepzinniger kon vertellen dan de ander, wie het dichtste bij dat enigmatisch talent was gekomen, wie het beste of het slechtste begreep waarom juist díe persoon, en geen ander. Als kind, slurpend van mijn cola, kwamen die gesprekken me altijd ontzettend belangrijk en onbegrijpelijk voor. Nu begrijp ik dat dat inderdaad hun bedoeling moet geweest zijn: Alsof, door je maar dicht genoeg te bevinden bij de zon van zo’n talent, je er zelf ook verlicht door werd. Achteraf gezien, weet ik nu, schiet er weinig over van het genie van de Vandereeckenstraat uit mijn jeugd. Een aantal jaren geleden liep ik een willekeurig terras naast een kunstschool voorbij, en werd verrast door melancholie. Achter het glas van de hippe barretjes, leek ik dezelfde mensen te herkennen die me als kind over het hoofd hadden geaaid. Ze waren geen haar veranderd. Toen besefte ik dat de terrasjes en barkrukken doorheen de jaren een vervelling hadden ondergaan, met nieuw vlees in oude kleren. Een groep mensen, zo wist ik nu, die zich niet zozeer onderscheidde omwille van talent, maar omwille van het feit dat ze er toevallig tijd en geld voor hadden.

Zo ook mijn moeder, die, toen ik negen was, juist vijftig was geworden, en een onverklaarbare nood voelde om zich onder hen[c3] te mengen. Misschien wou ze zichzelf heruitvinden, misschien zocht ze vrienden in haar anders eenzame leven, dat voornamelijk bestond uit het betasten van zieke dieren. Hoe dan ook, omdat ze geen andere vrouw in haar huis verdroeg en zich bij jongens van vijftien slecht op haar gemak voelde, kon ze me niet achterlaten bij de babysit, en moest ik op de dagen zonder hobby’s, noodgedwongen mee op pad. Misschien gaf ik haar zelfvertrouwen. Ik, haar onwillige kompaan, die ze maar al te graag voor haar liet uitlopen als een verkenner, die ze maar al te gemakkelijk naar voren kon schuiven als excuus, als onderwerp, als rekwisiet. Ik vervulde die rol samen met haar sigaretten. Al die moeite nam ze, omdat ze eigenlijk verlegen was, haar eigen stem niet graag hoorde, en het daarenboven moeilijk vond haar aandacht te houden bij het gezelschap. Dit leek het gezelschap in de vaste bar Au Fontainas nooit te storen, ze vonden het vertederend zelfs, hoe de kleine, magere vrouw om de zoveel tijd opveerde om een sigaret te kunnen roken, en ze zenuwachtig aan haar gouden armbanden draaide, zodat die kenmerkend klingelden. Zij lachte met die opmerkingen mee en ging onder protest alsnog naar buiten – niet in de eerste plaats om charmant te zijn, maar omdat ze het niet uithield. Ik bleef zitten en praatte voort alsof ze niet vertrokken was, praatte zelfs meer: Mijn tegenzin haar chaperonne te zijn lag niet in de scènes waar ze me deel van liet uitmaken, ik voelde me thuis tussen al die kleurrijke figuren. Het was dat ik getuige moest zijn van háár, hoe ze hoog lachte met mopjes van mannen met luide stemmen, mee danste op de muziek die soms werd opgezet, rode wangen kreeg van de wijn die ze dronk. Het was allemaal zo overdreven. Maar ons gezelschap wist niet hoe ze na het sluiten van de voordeur haar mond terug in een scheve grijns trok, amper in volzinnen op de vragen van mijn vader antwoordde, of kon uitvliegen wanneer ik een vlek maakte op het tafelkleed. Wanneer ze van haar zitplaats opstond om haar sigaretten te roken, steevast vergezeld door een man of twee, voelde ik me opgelucht. Een aantal van haar vrienden mocht ik echt. Zo was er een lange vrouw die kleine, kromme figuurtjes beeldhouwde uit witte steen. Altijd droeg ze een rode handtas bij zich, waar ze, elke keer ze me zag, een zuurtje uithaalde. ‘Goed voor de keel,’ zei ze dan, terwijl ik het bolletje op mijn tong liet draaien, waarop ze moest lachen met het gezicht dat ik trok. Eén vriend vond ik afgrijselijk. Misschien kwam het door die mengeling van zweet en mannenparfum, of door de manier waarop hij naar me glimlachte, alsof hij iets wist wat ik niet wist. Zo gebeurde het, alsof ze had besloten me te pesten, dat mijn moeder me steeds vaker meenam naar zijn huis, een oud herenhuis dat op het einde van de straat lag. In het begin, toen het nog zomer was, zaten we vaak in de tuin, een door hoge muren afgeschermde rechthoek die volledig overwoekerd was door onkruid en veldbloemen. Terwijl ik limonade zonder prik dronk en mijn tekenspullen naar boven haalde, praatten zij wat verder in de ligstoelen, met elkaar op zachte toon. Soms bleven we maar kort, en stuurde hij ons weg omdat hij moest schrijven. Dat moeten schrijven werd verder nooit geduid, het leek wel een mysterieuze ziekte. Over wat hij dan schreef mocht ik niets vragen – alsof ik met mijn kinderlijke nieuwsgierigheid alleen nog maar meer schade zou aanrichten. Na zo’n mededeling liepen mijn moeder en ik met voorzichtige passen door het smalle gangetje in de woonkamer, die vol wankele torens van papieren en kranten lag. Andere dagen zaten we uren op het terras, terwijl de asbak zich tussen hen vulde, en de zon steeds lager scheen. Die namiddagen gaven me een dubbel gevoel. Ik hield van het zacht wiegen in de wind van het hoge gras en de veldbloemen, en genoot van het urenlange tekenen, met verder niets anders in mijn hoofd dan lijnen en kleuren. Maar [c7] het ongemakkelijk gevoel bleef. Wanneer we ’s avonds naar huis reden, begon ik te frunniken aan mijn kleren die naar sigaretten roken, en kon ik ontzettend bars doen tegen mijn moeder. Thuis sloeg ik met de deuren, sloot ik me op in mijn slaapkamer. Zij liet me doen. Ik haatte haar, en ik haatte mezelf omdat ik niet snapte waarom.

In november regende het bijna elke dag, en was de tuin een drassig veld met mistroostig geknakte planten en kale takken. Een paar keer had Jean nog moeite gedaan om wat stapels papieren te verzetten in de woonkamer, en twee keer zaten we met z’n drieën als stuntelig alternatief aan de kleine, formica keukentafel. Maar al snel werd beslist dat de volwassenen boven zouden gaan praten: Dan kon ik rustig tekenen. Ik werd er kwaad van, liep meerdere keren met luide bonken de gestoffeerde trap op. Steeds werd ik teruggestuurd. ‘Nog even,’ zei mijn moeder dan, terwijl ze voor me stond op de trap, haar bleke voeten, bloot op het vuile tapijt, haar bloes, scheef, verkeerd dichtgeknoopt. Ze keek me aan met een donkere blik, gefronste wenkbrauwen, alsof ik degene was die haar gijzelde, en niet omgekeerd.

Op één van zo’n zaterdagen, het was eind november, was de hemel opmerkelijk lichtblauw, en kwamen voor het eerst wolkjes uit mijn mond. Met de koude lucht in mijn neusgaten en longen, had ik een ongelofelijke zin om te lopen, te schreeuwen, kampjes te bouwen of ik weet niet wat – in elk geval iets te doen met die heldere dag, anders dan er van binnenuit naar te kijken. Van zodra mijn moeder en Jean naar boven verdwenen waren, greep ik mijn kans, deed ik mijn jas, sjaal en handschoenen aan, en liep ik op de tippen van mijn tenen de gang door, tot aan de voordeur. Heel zachtjes draaide ik de deurknop om, zowel bang om geluid te maken, als bang dat de deurknop zou tegenwringen, en ze me werkelijk hadden opgesloten. Maar de ronde, bronzen bol gaf mee, en voor ik me kon bedenken stond ik buiten. 

Huppelend liep ik door de straat die ik zo goed kende, en voelde me op avontuur. Toen ik op het pleintje naast Au Fonteinas wat kiezelsteentjes aan het wegschoppen was, stonden wat vrienden van mijn moeder te roken. Ze herkenden me en riepen mijn naam. Toen ze me vroegen wat ik daar deed, en waar mijn moeder was, antwoordde ik dat ze met de curator was gaan praten – het was een naam die ik al vaak had horen vallen, het klonk geloofwaardig. Ik kreeg een warme chocomelk en ging met hen naar binnen. Wat voelde ik me volwassen, aangesproken en uitgenodigd onder mijn eigen naam, alleen op café met mijn dampende drank, zelf veroverd. Hoewel ik van het gesprek tussen de twee mannen weinig begreep, knikte ik mee met alles dat gezegd werd. Het ging erover dat een nieuwe bewoner zich een maand geleden had gevestigd in de wijk, maar zich tot dan toe had afgezonderd. ‘Een jonge kerel,’ zei de ene – ‘dikke nek,’ zei de andere, waarop vervolgens een discussie begon over iets met de wereld en moderne kunst. ‘Kort van stof, blijkbaar. Hij is uitgevlogen tegen Sofia, toen ze hem wou uitnodigen voor een groepstentoonstelling. Hij spreekt met niemand.’ Plots draaide één van hen zich naar me om, en vroeg wat mijn plannen voor de dag waren. Ik zei, op dezelfde gewichtige toon die ik hen had horen aanslaan, dat ik op ontdekkingstocht was. De mannen wisselden een blik. Dan had ik vast gehoord over de mysterieuze hangar een paar huizen verder. Nee? Dat witte gebouw, helemaal achteraan de parking? Eén van hen ging zelfs zover dat hij het me toonde: eerst ga je links, en dan weer rechts. Vrolijk wuifde hij me uit, ik wuifde terug. Het kwam niet bij me op dat volwassenen ook grapjes konden uithalen met kinderen – maar van deze grap had niemand kunnen vermoeden wat voor afloop die zou kennen.

Dit is een stukje dat nooit in het definitieve verhaal zal komen. Omdat zij niet aan het woord komt.

(2020)