Liever Nog Verschrikkelijk

‘Het leven is niet verschrikkelijk. Het is belachelijk. En dat, is onverdraagbaar.’

Op mijn zestiende kraste ik die woorden in het licht verende hout van mijn schoolbureau, onder ‘Ik hou van Thomas’, de laatste bijdrage aan de rij van anonieme tienerconfessies. Het was een citaat uit het toneelstuk ‘Hedda Gabler’, vanuit het Noors vertaald naar een podium in Gent – of zo stond het toch op de recensiesite. Misschien was het een creatief verzinsel van de journalist die het artikel moest schrijven. Ik was niet bij de opvoering en heb het citaat nooit meer ergens anders teruggevonden, ook al is het best een bekend stuk. Nochtans had ik een ticket gekocht, en had ik zelfs het plan opgevat om er een opstel over te schrijven voor Nederlands. Helaas, op de trappen van het theaterhuis kreeg de vriendin die me vergezelde, een zware angstaanval – een heel ander verhaal, voor een andere keer – waardoor we strandden voor de open deuren van de zaal. Terwijl de deuren sloten en het stuk begon, lag zij oncontroleerbaar te trillen op de tegels van de inkomsthal. Ik kon haar niet achterlaten in die scène, toch zeker niet voor een gelijkaardig drama, en dan nog eens fictief. Achteraf, aangezien ik toch iets moest schrijven voor die opdracht van Nederlands, besloot ik mijn recensie te distilleren uit de recensies van anderen. Uiteindelijk werd ik beloond met een negentien op twintig, grootste onderscheiding, en dat, zonder er zelfs maar geweest te zijn.

En zo zou het verhaal kunnen eindigen, licht heldhaftig, met een beetje bricoleur-gehalte, of toch tenminste een teken van ontluikend verteltalent. Toch, bij het scrollen door de recensies achteraf, – het optreden bleek een gigantisch succes te zijn – voelde ik spijt. Spijt dat ik het had gemist. En zelfs nu nog, na al die jaren, krijg ik van tijd tot tijd zin om op zoek te gaan naar een video, een transcript, iets om te achterhalen wat er juist verklaard werd met die mysterieuze woorden.

Die woorden, die voor mij vandaag nog steeds zo waar klinken: Het leven is niet verschrikkelijk. Het is de belachelijkheid die we niet kunnen verdragen. De belachelijkheid, ofwel, in mijn zestienjarige wereld, de schaamte over de banaliteit. De schaamte over het feit dat, terwijl al mijn helden in boeken een doel hadden, bijzondere vrienden of een geweldig talent, ik daarentegen elke avond alleen op mijn internaatskamer zat te luisteren naar het inhoudsloos gekwekkel van Anke en Wim Oosterlinck op Q-music. Het werd uiteindelijk zo erg dat ik op mijn zeventiende niet meer in mijn eigen dagboek kon schrijven – zo afgrijselijk verveeld en diep teleurgesteld was ik, door mijn kleinzielige leven, mijn onvergefelijk saaie geest.

Jaren later, intussen tweeëntwintig, schreef ik er zonder het door te hebben, mijn thesis over: ‘Schaamte en de blik van de ander bij Sartre’, suggererend of we de ergste schaamte niet voelen onder de blik van anderen, maar onder onze eigen blik. Onze eigen blik, die ons hoe dan ook achtervolgt, overal getuige van is, geen spatje bloed, kak, leugen of valsheid mist, de laatste stem die ons ’s nachts wakker houdt, en ons zelfs in dromen achtervolgt.

Het was niet zomaar een idee, het is een obsessie. In de voorbije jaren heb ik er vriendschappen door verbroken en relaties voor verlaten. Steeds vond ik mezelf op dat moment waarop ik de kamer rondkeek, in de ogen van een geliefde, of aan het luisteren naar een verhaal van een vriend, met afschuw beseffend hoe ik deel uitmaakte van een herhalingsaflevering. Een herhalingsaflevering van een slecht geschreven soap, met acteurs die me niet meer konden boeien. De mensen rond me wisten nooit wat er gebeurde, waarom ik zomaar verdwenen was, of wat ze hadden misdaan. En dat was natuurlijk de ergste tragedie: Ze hadden niets misdaan. Ze waren niet verschrikkelijk. Ze waren belachelijk. Want in hun banaliteit, werd ik geconfronteerd met de mijne.

Een tijdje geleden werd ik verliefd. Waar ik lang niet kon schrijven, vloeiden de woorden plots terug van mijn hart naar mijn handen op papier. Op den duur kon ik niet meer werken, en schreef ik stiekem op kantoor, dagenlang, ellenlange liefdesbrieven aan mijn geheime geliefde. Ik snapte niet wat me overkwam – hoe een ingebeeld publiek van slechts één normale man, een ongeletterde wetenschapper dan nog wel, me meer kon doen bewegen dan het vooruitzicht van erkenning door literatuurcritici of kunstzinnig gelijkgestemden. Sterker nog: Meer dan mijn eigen verlangen mezelf te lezen. Eindelijk schreef ik niet meer voor die zuurpruim die ik zelf was geworden.

Soms vraag ik me af of dit verhaal de kwelling is van elke schrijver. De forceerpoging alles in een beter daglicht te stellen – helderder, wijzer, blinkender. De leugenachtigheid, om ten slotte toch altijd geconfronteerd te worden met het einde van de dag, de limieten van de verbeelding, de onverbiddelijke desinteresse. De angst om in de foute tijd te leven, of tussen de foute mensen, en om een avond, een dag, een leven lang, gegijzeld te worden door hetzelfde repetitieve schouwspel, een volledig leven onomkeerbaar verloren aan de banaliteit en de vergetelheid. Alsof het allemaal om het even had kunnen zijn. Om als dertienjarige genegeerd te worden aan het avondeten, door de meisjes op de slaapgang. Om rond twee uur ’s nachts, door dronken mannen nageroepen te worden in een Leuvense straat: ‘Walvis, walvis!’ Om te wachten op die sms die nooit meer komt.

Moet er niemand zijn om dat te noteren? Iemand die zegt: ‘Kijk, het was verschrikkelijk. Daar doen we niets meer aan. Maar het was tenminste interessant.’

(2021)

Een reactie plaatsen

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.