Begin

Ik was tien toen Benjamin mijn naaktportret tekende, negen toen we elkaar leerden kennen. Volgens de journalisten die hem spraken, ben ik twaalf, mijn vader zal volhouden dat ik dertien was. Waarom die mannen zo vasthouden aan mijn leeftijd, weet ik niet. Alsof een jaar meer of minder de feiten geloofwaardiger maakt, de blikken op mijn lichaam rechtvaardigden. De waarheid is dat ik een kind was toen hij me voor het eerst zag.

Het was een uitzonderlijk koude namiddag in november, toen ik via de grote schuifdeur, die wagenwijd openstond,  binnendrong in zijn atelier. Mijn moeder had me, zoals zo vaak, meegesleurd naar de Vandereeckenstraat,  waar in die tijd, volgens haar alle ‘belangrijke mensen’ rondhingen: Kunstenaars, schrijvers, filosofen, dat soort allooi. Hoewel de hele scène oplichtte door haar caféavonden, exposities, soirées en lezingen, waren de grootste sterren diegenen die de rest in duisternis lieten. Benjamin, in die tijd nog een nieuwkomer, behoorde toen waarschijnlijk al tot dat exclusieve, efemere clubje. Zij, ‘de ontdekten’, waren de ware hoofdpersonages van de wijk. De rest van de artistieke cafégangers maakte er een sport van zoveel mogelijk te weten over de ontdekte genieën, om onderling te discussiëren wie diepzinniger kon vertellen dan de ander, wie het dichtste bij dat enigmatisch talent was gekomen, wie het beste of het slechtste begreep waarom juist díe persoon, en geen ander. Als kind, slurpend van mijn cola, kwamen die gesprekken me altijd ontzettend belangrijk en onbegrijpelijk voor. Nu begrijp ik dat dat inderdaad hun bedoeling moet geweest zijn: Alsof, door je maar dicht genoeg te bevinden bij de zon van zo’n talent, je er zelf ook verlicht door werd. Achteraf gezien, weet ik nu, schiet er weinig over van het genie van de Vandereeckenstraat uit mijn jeugd. Een aantal jaren geleden liep ik een willekeurig terras naast een kunstschool voorbij, en werd verrast door melancholie. Achter het glas van de hippe barretjes, leek ik dezelfde mensen te herkennen die me als kind over het hoofd hadden geaaid. Ze waren geen haar veranderd. Toen besefte ik dat de terrasjes en barkrukken doorheen de jaren een vervelling hadden ondergaan, met nieuw vlees in oude kleren. Een groep mensen, zo wist ik nu, die zich niet zozeer onderscheidde omwille van talent, maar omwille van het feit dat ze er toevallig tijd en geld voor hadden.

Zo ook mijn moeder, die, toen ik negen was, juist vijftig was geworden, en een onverklaarbare nood voelde om zich onder hen[c3] te mengen. Misschien wou ze zichzelf heruitvinden, misschien zocht ze vrienden in haar anders eenzame leven, dat voornamelijk bestond uit het betasten van zieke dieren. Hoe dan ook, omdat ze geen andere vrouw in haar huis verdroeg en zich bij jongens van vijftien slecht op haar gemak voelde, kon ze me niet achterlaten bij de babysit, en moest ik op de dagen zonder hobby’s, noodgedwongen mee op pad. Misschien gaf ik haar zelfvertrouwen. Ik, haar onwillige kompaan, die ze maar al te graag voor haar liet uitlopen als een verkenner, die ze maar al te gemakkelijk naar voren kon schuiven als excuus, als onderwerp, als rekwisiet. Ik vervulde die rol samen met haar sigaretten. Al die moeite nam ze, omdat ze eigenlijk verlegen was, haar eigen stem niet graag hoorde, en het daarenboven moeilijk vond haar aandacht te houden bij het gezelschap. Dit leek het gezelschap in de vaste bar Au Fontainas nooit te storen, ze vonden het vertederend zelfs, hoe de kleine, magere vrouw om de zoveel tijd opveerde om een sigaret te kunnen roken, en ze zenuwachtig aan haar gouden armbanden draaide, zodat die kenmerkend klingelden. Zij lachte met die opmerkingen mee en ging onder protest alsnog naar buiten – niet in de eerste plaats om charmant te zijn, maar omdat ze het niet uithield. Ik bleef zitten en praatte voort alsof ze niet vertrokken was, praatte zelfs meer: Mijn tegenzin haar chaperonne te zijn lag niet in de scènes waar ze me deel van liet uitmaken, ik voelde me thuis tussen al die kleurrijke figuren. Het was dat ik getuige moest zijn van háár, hoe ze hoog lachte met mopjes van mannen met luide stemmen, mee danste op de muziek die soms werd opgezet, rode wangen kreeg van de wijn die ze dronk. Het was allemaal zo overdreven. Maar ons gezelschap wist niet hoe ze na het sluiten van de voordeur haar mond terug in een scheve grijns trok, amper in volzinnen op de vragen van mijn vader antwoordde, of kon uitvliegen wanneer ik een vlek maakte op het tafelkleed. Wanneer ze van haar zitplaats opstond om haar sigaretten te roken, steevast vergezeld door een man of twee, voelde ik me opgelucht. Een aantal van haar vrienden mocht ik echt. Zo was er een lange vrouw die kleine, kromme figuurtjes beeldhouwde uit witte steen. Altijd droeg ze een rode handtas bij zich, waar ze, elke keer ze me zag, een zuurtje uithaalde. ‘Goed voor de keel,’ zei ze dan, terwijl ik het bolletje op mijn tong liet draaien, waarop ze moest lachen met het gezicht dat ik trok. Eén vriend vond ik afgrijselijk. Misschien kwam het door die mengeling van zweet en mannenparfum, of door de manier waarop hij naar me glimlachte, alsof hij iets wist wat ik niet wist. Zo gebeurde het, alsof ze had besloten me te pesten, dat mijn moeder me steeds vaker meenam naar zijn huis, een oud herenhuis dat op het einde van de straat lag. In het begin, toen het nog zomer was, zaten we vaak in de tuin, een door hoge muren afgeschermde rechthoek die volledig overwoekerd was door onkruid en veldbloemen. Terwijl ik limonade zonder prik dronk en mijn tekenspullen naar boven haalde, praatten zij wat verder in de ligstoelen, met elkaar op zachte toon. Soms bleven we maar kort, en stuurde hij ons weg omdat hij moest schrijven. Dat moeten schrijven werd verder nooit geduid, het leek wel een mysterieuze ziekte. Over wat hij dan schreef mocht ik niets vragen – alsof ik met mijn kinderlijke nieuwsgierigheid alleen nog maar meer schade zou aanrichten. Na zo’n mededeling liepen mijn moeder en ik met voorzichtige passen door het smalle gangetje in de woonkamer, die vol wankele torens van papieren en kranten lag. Andere dagen zaten we uren op het terras, terwijl de asbak zich tussen hen vulde, en de zon steeds lager scheen. Die namiddagen gaven me een dubbel gevoel. Ik hield van het zacht wiegen in de wind van het hoge gras en de veldbloemen, en genoot van het urenlange tekenen, met verder niets anders in mijn hoofd dan lijnen en kleuren. Maar [c7] het ongemakkelijk gevoel bleef. Wanneer we ’s avonds naar huis reden, begon ik te frunniken aan mijn kleren die naar sigaretten roken, en kon ik ontzettend bars doen tegen mijn moeder. Thuis sloeg ik met de deuren, sloot ik me op in mijn slaapkamer. Zij liet me doen. Ik haatte haar, en ik haatte mezelf omdat ik niet snapte waarom.

In november regende het bijna elke dag, en was de tuin een drassig veld met mistroostig geknakte planten en kale takken. Een paar keer had Jean nog moeite gedaan om wat stapels papieren te verzetten in de woonkamer, en twee keer zaten we met z’n drieën als stuntelig alternatief aan de kleine, formica keukentafel. Maar al snel werd beslist dat de volwassenen boven zouden gaan praten: Dan kon ik rustig tekenen. Ik werd er kwaad van, liep meerdere keren met luide bonken de gestoffeerde trap op. Steeds werd ik teruggestuurd. ‘Nog even,’ zei mijn moeder dan, terwijl ze voor me stond op de trap, haar bleke voeten, bloot op het vuile tapijt, haar bloes, scheef, verkeerd dichtgeknoopt. Ze keek me aan met een donkere blik, gefronste wenkbrauwen, alsof ik degene was die haar gijzelde, en niet omgekeerd.

Op één van zo’n zaterdagen, het was eind november, was de hemel opmerkelijk lichtblauw, en kwamen voor het eerst wolkjes uit mijn mond. Met de koude lucht in mijn neusgaten en longen, had ik een ongelofelijke zin om te lopen, te schreeuwen, kampjes te bouwen of ik weet niet wat – in elk geval iets te doen met die heldere dag, anders dan er van binnenuit naar te kijken. Van zodra mijn moeder en Jean naar boven verdwenen waren, greep ik mijn kans, deed ik mijn jas, sjaal en handschoenen aan, en liep ik op de tippen van mijn tenen de gang door, tot aan de voordeur. Heel zachtjes draaide ik de deurknop om, zowel bang om geluid te maken, als bang dat de deurknop zou tegenwringen, en ze me werkelijk hadden opgesloten. Maar de ronde, bronzen bol gaf mee, en voor ik me kon bedenken stond ik buiten. 

Huppelend liep ik door de straat die ik zo goed kende, en voelde me op avontuur. Toen ik op het pleintje naast Au Fonteinas wat kiezelsteentjes aan het wegschoppen was, stonden wat vrienden van mijn moeder te roken. Ze herkenden me en riepen mijn naam. Toen ze me vroegen wat ik daar deed, en waar mijn moeder was, antwoordde ik dat ze met de curator was gaan praten – het was een naam die ik al vaak had horen vallen, het klonk geloofwaardig. Ik kreeg een warme chocomelk en ging met hen naar binnen. Wat voelde ik me volwassen, aangesproken en uitgenodigd onder mijn eigen naam, alleen op café met mijn dampende drank, zelf veroverd. Hoewel ik van het gesprek tussen de twee mannen weinig begreep, knikte ik mee met alles dat gezegd werd. Het ging erover dat een nieuwe bewoner zich een maand geleden had gevestigd in de wijk, maar zich tot dan toe had afgezonderd. ‘Een jonge kerel,’ zei de ene – ‘dikke nek,’ zei de andere, waarop vervolgens een discussie begon over iets met de wereld en moderne kunst. ‘Kort van stof, blijkbaar. Hij is uitgevlogen tegen Sofia, toen ze hem wou uitnodigen voor een groepstentoonstelling. Hij spreekt met niemand.’ Plots draaide één van hen zich naar me om, en vroeg wat mijn plannen voor de dag waren. Ik zei, op dezelfde gewichtige toon die ik hen had horen aanslaan, dat ik op ontdekkingstocht was. De mannen wisselden een blik. Dan had ik vast gehoord over de mysterieuze hangar een paar huizen verder. Nee? Dat witte gebouw, helemaal achteraan de parking? Eén van hen ging zelfs zover dat hij het me toonde: eerst ga je links, en dan weer rechts. Vrolijk wuifde hij me uit, ik wuifde terug. Het kwam niet bij me op dat volwassenen ook grapjes konden uithalen met kinderen – maar van deze grap had niemand kunnen vermoeden wat voor afloop die zou kennen.

Dit is een stukje dat nooit in het definitieve verhaal zal komen. Omdat zij niet aan het woord komt.

(2020)

1 reactie

  1. Toch een boeiend begin. Ik moest ook aan je denken toen ik hoorde over George Hendrik Breitner, een niet zo belangwekkende Nederlandse schilder die evenwel ’n jong meisje van de straat plukte, erdoor begeesterd raakte, haar fotografeerde in kimono’s en veelvuldig schilderde. Ze was 16-17, maar toch. Ook je foto, die overigens prachtig is (wie maakte hem?), deed me aan Breitner denken.

    Like

Een reactie plaatsen

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.