Column: Over verdringen en vrijheid – de lagereschooljaren

Ooit wilde ik alles weten – zo kreeg ik misschien grip op wat me overkwam. Waarom juffrouw Frida in de derde kleuterklas kwaad op me was, bijvoorbeeld – iets wat me in die tijd erg verontrustte. Zeker gezien het feit dat juffrouw Frida een reusachtig vrouwmens was, die de kindertafels liet trillen bij elke stap, brulde zoals een monster van rozig vlees, met kleine, loerende kraalogen en harde krulspeldkrullen. Maar wanneer mijn moeder me geduldig uitlegde dat de juffrouw een slecht huwelijk had, niet sliep en daarbovenop darmklachten had, bracht deze kennis niet de verwachtte gemoedsrust mee. Vanaf nu maakte ik me zorgen voor twee: om de ontroostbare, afschrikwekkende juffrouw Frida, en om mezelf, die als weerloos projectiel onder haar verdriet, nog steeds elke dag in de hoek moest staan. Mijn kennis maakte me een ernstige kleuter, terneergedrukt door zorgen waar mijn klasgenoten, in al hun heilige onwetendheid, geen last van hadden.

In het eerste leerjaar was er leraar Sven, die erg kalm en ruimdenkend was, met sproeten op zijn neus. Vrolijk leerde hij ons het alfabet, met veel verhaaltjes en gelach. Maar mijn bubbel was definitief doorbroken: Kennis maakte niet gelukkig. Het beloofde een antwoord op mijn kinderlijk gijzelaarschap door volwassenen, oké. Gaf me misschien meer woorden in handen, akkoord. Maar uiteindelijk stond ik vroeg of laat toch terug in de hoek, met mijn gezicht tegen de muur. Nee, kennis was niet de weg naar vrijheid.

Levend naar mijn wijsheid, verdrong ik dat leraar Sven van tijd tot tijd ging smoren in het bos vlakbij onze school. Ik vergat dat mijn klasvriendinnetje wel erg veel praatte over seks en vond ik het grappig met mijn tippex de ‘T’ uit te wissen in de krant. Lachend wees ik naar het resultaat: ‘Kijk, WC-torens!’

Waar ik in het begin nog moeite moest doen om alle verwarrende signalen buiten te sluiten, ging het me na een tijd steeds beter af. Zo goed, dat ik uiteindelijk alles begon te verdringen: mijn verjaardagsfeestje in de zomer, de tot dan toe warme relatie met mijn teddybeer, mijn voorliefde voor wortelpuree met gehaktballetjes. Kortom: in het tweede leerjaar werd ik depressief.  Totaal onthecht leerde ik rekenen, telde getallen op en trok ze terug af. Het viel me op hoe parallel mijn rekensommen liepen met het leven: ook daar ontbrak alle oorsprong en inhoud, en ook daar leidde de uitkomst alleen maar tot meer van hetzelfde. Tenslotte stond ik doelloos op de speelplaats, weigerde ik de suikerwafel tijdens het vieruurtje, en lukte ook rekenen niet meer. Wat was het verschil tussen pakweg 8 en 6? Waren het niet allemaal slechts trieste samenraapsels van 1, een paar keer herhaald? Verloren, zonder enig gevoel voor richting, liep ik de zandbak van de kleuters in en viel in een put.  

In het derde leerjaar kreeg ik een vriendinnetje dat het niet erg vond dat ik triestig was. Ze had kort haar en dunne benen, en sprak heel snel, met moeilijke woorden. ‘Je hebt me beledigd,’ zei ze vaak, maar ik wist niet wat dat betekende. Met onze armen in elkaar gehaakt liepen we de speelplaats rond, en praatten we over de kinderen in de klas en de zin van het leven. Samen bouwden we aan een boomhut, discussieerden we over ons optreden met zelfgemaakte liedjes, en of we nu met of zonder slippers het podium op zouden gaan. In de wereld die we met ons twee creëerden, maakten we veel ruzie – waarschijnlijk nog het meeste over de regels, die elke dag konden veranderen, naargelang onze stemming of de inval van het moment. Soms mochten we ons alleen maar kleden in het blauw, een andere keer was het verboden om ons kampje in het bos te verlaten. Bowlen vonden we allebei stom, maar toen ik had gedaan of ik ziek was om de sportdag te vermijden, vond zij dat dat erover was. Ik begon steeds meer te lezen, om bij haar in een hoger leesgroepje te kunnen zijn. Zij, langs haar kant, was heel jaloers als er andere mensen bij ons groepje wouden komen, en onderwierp iedereen aan een strenge vriendinnenproef met modder, vieze papjes en gevaarlijke sprongen. Tussen ons twee hadden we een taaltje met eigen woorden, die we doorspekten met improvisaties, om het chiquer te doen klinken. Andere kinderen vonden ons raar, wij vonden het geweldig. De zin kwam letterlijk terug in mijn leven – en deze keer was het in mijn eigen taal.

Ik zou willen vertellen dat ik hierdoor het evenwicht gevonden had. Tussen verdringen en beheersen, tussen vrijheid en gevangenschap – ontstond vriendschap. Helaas eindigde mijn lagereschooltijd in een groot drama, waarbij onze ouders besloten mijn vriendin en mij te scheiden, omdat onze relatie te verstikkend werd.

(2020)

Een reactie plaatsen

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.