Column: De zin en onzin van canon, of waarom we schrijven

Waarom schrijf jij ? 

Dwaal je in geheime kamers, zit je in de grauwzone, alleen op zoek naar zin? Jonkvrouw, postbode – vrouw met brede heupen, man die werk vond? Sneed je je dochter in stukken, at je de piemel van een maagd? Smelt het of zeg je, ‘O, ik weet het niet’?

Ik weet wat je geheim is en ik zal het je vertellen. Op een dag zag je het leven en wou je meedoen. Je vond het allemaal prachtig, zomer, winter, rijm op ramen: hoe de ijzige kou een slang was die beet naar je hielpezen of naar je neerhangende handen om zich daaraan op te trekken. Je hart was zacht en je handen waren kleine knuistjes die zich openden. Maar je hield er niet van om dingen kapot te maken. Niet zoals de andere kinderen, met hun wilde voetballersvoeten en hun harde poppenmoedermoraal. Als je bij een glas limonade voorzichtig de dag in vraag probeerde te stellen, wou praten over dat kiezelsteentje in je schoen, fronsten ze naar je terug, een brokje koek in de hoek van hun vranke mond. Misschien is het daar gebeurd, heb je je toen zoals een aangestrande schipbreukeling in boeken verscholen alsof ze warme huizen waren – mausolea voor de wilden, voor jou een thuis, zo groot als de magische tent in Harry Potter. Maar nu, jaren later, schrijf je, en het warme huis bleek een burcht waarvan de eeuwenoude muren je rieten hutjes kortverhalen en schuchtere tentjes beginnersromans even dwingend overschaduwen als de trauma’s waar je als kind ook al niet aan kon ontsnappen. Je leven herhaalt zich, een canon als het ware.

‘Jij niet, jij wel. Jij niet. Jij niet. Jij niet.’ als bedelaars schuiven we aan bij allerhande schrijfwedstrijden. Het paradijs van vroeger is een exclusief resort geworden, en er is maar plaats voor één gast. De geesten van het verleden nemen suites in waar niemand anders in mag slapen. Buiten kruipen de borelingen in de modder, zo dicht mogelijk bij de grond, om geen kruimel inspiratie te missen. Vrienden blijven voorlopig, te bedreigend, te banaal. De parels van een ander doen je alleen maar denken aan je eigen lege broekzak. Was ik maar vijftig jaar eerder geboren. Vlak na de oorlog, boem, paukenslag, toen alles nog tot de verbeelding sprak. Had ik maar een groter verdriet om over te schrijven. Was mijn moeder maar Arnon Grunberg.

En plots sta je daar, met een brandende toorts in je hand, op een gure avond in het gangpad van de lokale bibliotheek. Waarom de jobstudent je heeft binnengelaten weet je niet, maar het was een fout want als je wegwandelt ben je The Joker en ontploft het hele gebouw. De wereld ontmaskert zichzelf als licht ontvlambaar: elke kast met boeken, een brandend bastion van censuur, te groot om af te breken, te bekrompen om in te passen, te wit en te Claus. Je hijgt en op je gezicht zitten vegen. Nu flakkeren ook je eigen teksten op: je zelfverering ruikt naar rubber, de pretentie druipt eruit zoals sissend vet. De wereld smeekt om dappere boodschappers, helden in kwetsbaarheid, woorden die fluisteren, schreeuwen, trillen: ‘Nee!’ Weg met het verleden, ratelslang met open bek!

Maar dan, onderaan de metershoge stapel op elkaar gesmeten boeken, gerukt uit huizen en uit armen, je betoog een razzia, zie je het ei van oom Trotter. Vergeeld en gebroken, reeds half verkoold. Een traan prikt in je oog. De gemene moppen, die schop die je kreeg onder de zetel bij verstoppertje. Met de rook schurend in je keel besef je: Ik was niet voor op mijn tijd, ik was achter.

Dit is wat ik je toewens, lezer, schrijver, lichaam, tijd. Herhaling zoals een polsslag. Stemmen die je tegemoetkomen als een pompend hart, wanneer de eenzaamheid je weer wegrukt van de wereld. Geen hoge woorden, alleen bereikbaar voor bewoners van ivoren torens, maar verhalen waarin je kan ontwaken, zoals de ochtend van een mooie dag. Om later op de avond in terug te keren, en met plezier in de Verwondering te beseffen dat het geen toeval was – dat de held de slechterik was, het begin het einde, dat alles naar elkaar verwees, en uiteindelijk ook naar jou. Het verhaal dat je meedroeg, heeft op je gewacht, en laat zich zoals zijn eigen canon lezen.

Laat dit jouw geschenk zijn, je eigen herhaling te schrijven. Elk gebrek, een opening. Elke stolling, een zin. Elk woord, met in zijn hart het antwoord, dit is waarom ik lees.

(2020)

Een reactie plaatsen

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.